G.A. Bredero (1585-1618)

MOORTJE

HET DERDE DEEL

HET EERSTE UYTCOMEN.

Roemer, Kackerlack, Koenraat en de stomme Moor Writsert.

Roemer. —

Maar seecker isset waar, bedanckte sy mijn seer?
Kackerl. — Gheweldich! Roemer. — Wat sechdy wasse wel in haar schick? Kackerl. — Ja Heer!
Dan doch soo seer niet om die seer schoone schenckagie,
Als om datse haar wert geschoncken van so grooten personagie!
En dat is ’t eerst daar sy haar hooghe moedt op draacht.

Koenr. — ’k Sal letten op mijn tijdt misschien of het soo slaacht,
Dat ick mach an Moyaal dees mijn Mooriske schencken:
Dan siet den Hopman daar, hy sou licht arch dencken.

Roemer. — Ja die gracy heb ick, dat al wat ick begin
Dat heeft een aart, soo dat ick over al wellekom bin!

Kackerl. — Als gy wat brenght denck ick, dats mijn genoech bekent.

Roemer. — Daarom sey den Hartich: Hopman ghy bent excellent!
En hy bedanckt mijn staach om dat ick sookand leven,
Sonder dat, hy hadme de Kornet niet ghegheven.

Kackerl. — O dat gheloof ick wel, ghy verwerft door u gheest
En door u groot verstant dat elck u eert en vreest,
’t Is wonder hoe dat gy met wysheyt en met reden,
En woorden schoon gepronckt u saken kunt bekleden,
Het volck is verbaast wanneer ghy kickt of bremt
En wat ghy eens versoeckt wert stracx u toeghestemt;
Ghy krijcht meer door u tongh en geesticheyt bescheyden,
Als and’re met har dienst en bloedich arrebeyden.

Roemer. — ’t Is de fijne waarheyt. Kack. — Sijn hoocheyt bruyckt u raat,
Om dat ghy’t recht van ’t landt so wonderlijck verstaat.

Roemer. — Wel bescheyelijck. Kack.. — Hy most het ooch seer op u houwen.

Roemer. — Ick wasset dien hy ’t woort en ’t Legher dorst vertrouwen.

Kackerl. — Dat kan ick wel dencken. Roemer. — Wat dunkje Kackerl. — Een groote saak.

Roemer. — En als hy somtijts wouw eens nemen zijn vermaack
In jacht, of in bancket, of dat hy wouw wtspannen,
Soo koos hy alleen wt soo veel hondert mannnen.

Kackerl. — ’t Is wonder! wat een een geck? Roemer. — En als ’t volck hem verdriet
Door al haar tuyldery, recht alliens weetje niet?

Kackerl. — Ick weet, ick weet: of hem de walch had ghesteken
Van al haar honniesnap, dan gingh hy met u spreken
Van saaken van belangh. Roemer. — Ja seecker dat gaat vast,
En daarom noot hy mijn oock menichmael te gast.

Kackerl. — Een eellenbaas van een prins, vintmen sulcke Heeren?

Roemer. — Sijn hoocheyt die sel by gheen slechte luy verkeeren.

Kackerl. — Ghelijck soeckt zijn ghelijck, besonder wijse lien
Die sullen aldermeest na haars ghelijcken sien.
En gaat hy met u om (hoort: onder reverency)
Soo verkeert hy by de anderde Sapiency.

Roemer. — De geest spreeckt uyt u mont! Kackerl. — Wat sotter vent is dit?

Roemer. — So komtet dat ick staech het hoochst’ an tafel sit.

Kackerl. — De garde. het komt u toe! Roemer. — So wy lest in gespreck tradden
Ick sprack, sy sweghen ofse een lap in haar beck hadden.
Den Hartich sachmen an, ghelijck zij Magisteyt,
En hy ontsetten hem van mijn welsprekentheyt.

Kackerl. — Een mirakel van een Man! ist so? Roemer. — ’tIs waar ick sech het

Kackerl. — ’t Is met al ’t Hof gedaan, so hy de smaack eens wech het
Van u groote wijsheyt: u woorden hebben kauw.
Schijt Cicero! Siet, siet nu treet hy als een pauw,
Ja lieve Neskebol; hoe swiert en swayt de geckert!

Roemer. — Wat seyt den Rekel, he! Kackerl. — Den Hartoch is verleckert
Op u gheselschap: Want seker als hy u mist,
So mist hy al zijn vrolijckheyt en vreucht. Roemer. — So ist,
Ick tast niet an myn hoedt wien my oock mach gemoeten,
Ten sy de grooten my met blooten hoofde groeten.

Kackerl. — Ghy bintet waardich, ick mien een voet in jou gat,
Wijstme sulcken dwaas een inde heele stadt!

Roemer. — Wat vraagh ick na de luy, of syter wat antrecken,
Ick doe wanneert mijn lust. Kakcerl. — Men vindt veel sulcke gecken!
Den Hertoch is verciert als ghy hem doet de eer,
Dat ghy een met Hem gaat de straat op ende neer.

Roemer. — Hy steekt zijn borst op als een Gans. Kackerl. — Ja gy bent heerlijk,

Roemer. — Door mijn deucht maack ick hem en al de zijnen eerlijck,
En daarom set hy mijn staach aan zijn aan zijn hoogher sy.

Kackerl. — De gallich om u hals. Roemer. — Al de werelt ghingh my
Achter mijn rugh hierom beschimpten en besmalen,
En al mijn leempten schots en bitter op te halen.
Ick lietet onghemerckt doorslippen voor een tijdt,
Sy pruylden, en praatten, en borsten schiet van spijt.
Maar ick sets’in mijn deer met al wat sy verschaffen,
Sy sullen an mijn stock niet eensjens komen blaffen,
Want ick souse straffen, al waren sy so koen,
Dan niemant wil van haar de kat de bel andoen,
’t Hart sinckter inde schoen, so vreesen sy mijn tooren,
Wat seggen sy, Roemer het bloedt in zijn ooren
Quam hy het hooren, het lieper heel slechts of
Ick hielder wis de neus en ’t goedje soo recht of
Sneedt ick een meyst vlecht of, met de hiel vanner bien,
Ick lietet te kermis hier inde kramen sien.
En spracker yeuwers ien, dat an mijn eer mocht raaken,
Een dubbelden Aernt souw’k van zijn lichaam maaken
En spouwen hem het hooft tot daar toe, en ’t resje van melkaar
En voeghen d’armen en de sijen eens te gaar,
Of setten kop op kop, een been boven en onder,
En stuuren hem soo duer de werelt voor een wonder.
Rodrigo de Malta die maackteme lest so quaat,
Mits hy soo permantich en pruets gaat by de straat,
Om dat hy nu as kacx konstapel int leegher is!
Weet hy wel (sey’ck) datsen vaaer een stillevegher is?

Kackerl. — Gants lijden! dats een streec! Roemer. — Korts geschach mijn een trots
Vanden Hertochs koetsier! ick reedt hem weer op schots,
Wel seyd’ ick wat is hier? hoe komt dat ghy dus wildt krijt,
Of ist, om dat ghy Overman van’t slepers gildt zijt?

Kackerl. — Dats waerachtich aardich! wat een geest heeft de man!
De Droes souwt niet sinnen, dat hy versieren kan,
’t Wedt hy stondt en sach of hy het hoorde donderen.

Roemer. — Hy sweech as een pissebet! Kackerl. — Dats niet te verwonderen:
Sou hy niet? Koen. — Dats een lichtmis, dats een guyt, en d’ander
Is een Zee-roover! Kackerl. — Hoe quelle schaamle luy menkander?

Roemer. — Heb ick u wel vertelt, hoe’k de brabler quam anboort?

Kackerl. — Noyt niet, secht op: ick hebt wel duysent maal ghehoort.

Roemer. — Dees brabbelaar die quam in een kuf over tafel
Daar een Snol bymen sat, stracx gingh hem daar de wafel
Wt de kerf, lief say, da’k mayn stooter t’ouwent brocht?
Hangt vande banck sey’d ick jongen ’t vleys is verkocht.
Wat doeje int pardiel? je souwtje nae de Kerck spoen,
Gaat leest jou getijen! en laat jou vaar dit werck doen.

Kackerl. — Ha Ha Hay! Roemer. — Wel wat ist? Kackerl. — Kluchtich! ghy weter van,
Wtghenomen aardich, daar is gheen verbeteren an,
Ist een spreeck-woort, of hebdijt uyt een boeck ghesocht?

Roemer. — Hebdijt meer gehoort? Kackerl. — Dick. Roemer. — Ick hebbet oppebrocht.

Kackerl. — ’t Most den dartelen lecker wel schrickelijcken spijten.

Koenr. — Dat jou de Nickerhaal! Kackerl. — Trouwen ghy kunt verwijten!
Hoe hield’ hy hem doch al? Maar kreech hy soo koel slip?

Roemer. — Wat souw hy doen, goet man! hy keeck als een Poel-snip,
Hy wist niet waar hy best zijn weesen soude laten,
Sy lachten haar schier door die inde kamer saten,
Somma, ick had daar mee de schrick in al de rest.

Kackerl. — Het was gheen onghelijck. Roemer. — Maar wat houje voor best?
Sal ick Moy-aal ’t vermoen nu wt den hoofde drijven
Van dat ick ’t meysje min? Kackerl. — Neen: wilt haar eerder stijven
In dat achterdencken. Roemer. — Waarom? Kackerl. — En weet gy niet
Als sy van Ritsart rept, hoe bril dat ghy dan siet?

Roemer. — ’t Weetet. Kackerl. — Let op mijn raat, als sy Ritsert gaat noemen,
So moet ghy van Katrijn haar soete vrientschap roemen:
Seyt sy: laat ons Ritsaart noo’en te gast, so beveelt
Datmen het meysjen haalt, op dat sy u eens speelt.
Soo sy zijn wijsheyt prijst, en hoe hy haar gaat vieren,
So looft haar schoonheyt, en bevallige manieren.
Roemt sy van Ritsaarts Duecht, so boogh ghy weer van haar.
Somma speelt leer om leer, en gheeft haar waar om waar.

Roemer. — Waar sy verlieft op myn, so souwt wat moghen baten.

Kackerl. — Al sy u gift ontfanght, en die niet wil verlaten
Om datse dat bemindt uyt jonst die ghy haer droech:
Wat klaghen hebt ghy dan, is dat niet lief ghenoech?
En onghetwijfelt ’tsal haar dapper oock verdrieten,
Dat dan een ander sal de lieve lust ghenieten,
En het ghenot, dat sy dus langh van u ghenoot,
Indien ghy u verstuert. Roemer. — ’t Is wel geseyt, maar ’tschoot
My juyst niet inde zin. Kackerl. — Dats wat nuws, bymen sonden
Ghy dochter niet om, aars ghy haddet licht ghevonden.

HET TWEEDE UYTCOMEN.

Moyaal, Roemer, Kackerlack, Koneraet.
En heb ick niet terstondt gehoort myn Hopmans stem?
Mijn dochter, ja wel siet, hoe schoon, hier vind ick hem,
Myn Roemert weest gegroet. Roemer. — Myn boeltje, kanjewieltje!
Heb jy myn nu niet lief? het dienst-meysje, gevielje?

Koenr. — O wat behendicheyt! o wat een heusche groet
En wat eerbiedicheyt hy an zyn liefste doet!
O wat bevallicheyt van intre! wat aardicheyt!

Moyael. — So seer niet om haar selfs als om u hooghwaardicheyt!

Kackerl. — Ay gaewe eten stracx, ick heb soo langh ghevast?

Koenr. — Ja wel het is een volck dat op malkander past.

Roemer. — Als ghy wilt, ick ben ree. Koenr. — Nu ick wil haar gaan teghen
Als of ick quam van Huys: waar is de reys gheleghen?

Moyael. — Wel Koenraat sydy daar? Koenr. — Ay lieve hoort een woort?

Moyael. — Dat deed’ ick garen; maar ick moet voor dees tijt voort.

Koenr. — Waar? Moyael. — Waar! en siedy niet den Hopman en den desen?

Koenr. — Gewisselijck ick siet, met spijt en met leetwesen,
Ghy moocht soot u ghevalt ontfanghen nu de Moor.

Roemer. — Wel waar na wachtmen nu? waarom gaan wy niet door?

Koenr. — So de beleefdheyt oyt had plaats in u, myn Heeren,
So laat my an Moyaal myn schenkingh nu vereeren
Met woorden van bescheyt. Roemer. — Ho! dat moet al wat zyn:
Ick gis datse doch is veel schoonder als de myn!

Koenr. — Ick weet niet wat het is, het dinghen salt bewijsen;
Ick houw van pocchen niet, het moet zijn selven prijsen.
Moortje komt voor den dach! Roemer. — dees kost een spaensche kluyt.

Kackerl. — Secht een vaan Delfs-enghels! Koenr. — Hoe nu, wat seyt de guyt?
Komt herwaarts Moortje! dees sy u vereert myn vrouwe.
Haar gaaf en glat aanschijn dat muechdy wel beschouwe:
Besiet een weynich doch haar lieffelijck ghelaat.
Haar fiere frische jeucht is in haer beste staat.

Roemer. — Waarachtich sy is eel! Koenr. — Wat segh gy Kackerlackje?
Wat schorter an? Het sy een rimpel of een vlackje?
En ghy Hopman Roemert! wat dunckter u toch van
Siet ghy’t nu, dit of dat, secht mangelter wat an?
Sy swijghen alle beyd’, dat is ghenoech ghepresen.
Sy schrijft goet vaerdich schrift, sy kan oock lustich lesen,
Sy handelt braaf de Luyt, sy singt heel soet Musyck.
Sy doet oock wat sy doet, sy doet het meesterlijck;
Voor een seer geestich mensch so wort sy u ghegheven
Die opghetrocken is om voor een Prins te leven
So kuys en ’tzaart is sy gemaniert, ick sech, dat
Haar zedicheyt beschaamt de Dochters van de Stadt.

Roemer. — Sy is seecker wel moy: en ginght niet na de Vasten,
Ghelijck het doet, ick vrees, ick soumer an vertasten.

Koenr. — Der geender dies u schenckt en wel vrywillich gheeft,
Die wil niet dat ghy juyst alleenich by hem leeft:
Noch alst hem komt te pas dat ghy dan and’re buyten
Om zynent wil alleen souwt voor de deure sluyten;
So honts en is hy niet: hy stelt u los en vry,
Hy roemt sick nimmer van zijn stoute vechtery!
Hy soeckt gheen yd’le eer, ghelijcken veel groot-spreeckers,
Dat niet dan Guyllen zijn, en Blaffers, en Wint-breeckers,
Die brommen met haar schandt, en toogen borst en hooft,
Waer sy gheteeckent zijn, ghehouwen en gheklooft.
Noch hy belet u niet dat ghy met eenighe Vryers
U lusten souwt voldoen, als sommighe benijers,
Maar alst u wel behaaght dat hy u een gherieft,
Ontbiedt hem, waar ghy wilt, en wanneert u ghelieft.

Roemer. — Dit is een lust te sien! en ’blijckt dat dit een knecht is!
Van een beroyden baas, myn dunkt dat dit wel slecht is.

Kackerl. — Dats waar! dat weet ick wis, en hy’t om ’tgelt niet liet
Hy leedt hem andersins met sulken pracher niet.

Koenr. — Swijcht wayfler, swijgh ghy: O ghy schuym van alle boeven,
Want na dat ghy ’tprofijt van ’tvleyen quam proeven,
So hebdy al u gheest en al u kunst gheset
Om te panlicken steets dees dolle droncken slet:
Want ick acht datmen u, met een taart, of een struyfje,
Sou kryghen waarmen wou: ’tOwerkerck om een schuyfje:
Want met een tooghje Wijns, of met een beker Bier
So soumen jagen u door Water en door Vier.

Roemer. — En wanneer gae wy voort? Moyael. — ’k Sal dese binnen leyden,
En bestellen met eenige nootlyckheyden,
Dan koom ick u strax by. Roemer. — Kackerlack ick gae vuer,
Verwacht ghy Moyaal hier, en vollicht my met huer.

Koenr. — Neen; dats behoorlyck en ’tsouw niet mogen sloeren.
Dat een Hopman by daagh sou sling’ren gaan met hoeren.

Roemer. — Wat sla ick meer seggen? het spreeckwoort is oprecht:
Sulck Man, sulck vis, sulck Meester, sulck knecht.

Kackerl. — Ha Hay. Roemer. — Hoe lachje dus? Kackerl. — Om dat ghy schempt so schrander,
Nu weer met Koenraat, en vlusjes met den Brabander,
Maar siet, daar komt Moy-aal. Roemer. — gae u gangh al voort,
Bereyt de maeltijt stracx met al zijn toebehoort.

Kackerl. — Ik gae! Moyael. — Angniet hoort hier! Angniet. — Wat ghelieft u mijn vrouwe?

Moyael. — Doet alle dingh soo wel als ick u toe vertrouwe.
Soo Vrederijck hier komt, so geeft hem goet bescheydt,
En bidt hem vriendelijck dat hy een weynich beydt,
Doch heeft hy yets te doen, of zijn orber te besorghen,
Verdachvaart hem op nieuw dan weder teghen morgen:
En wil hy daar niet an, en weyghert hy dit gants
Soo doet hem brenghen voor ten huyse des Hopmans.

Angniet. — Ick salt doen. Moyael. — Maar houwt! ’k beveel u sonderlinghen
Dat ghy de jonghe Maacht bewaart voor alle dinghen;
Op dat haar suyverheyt van niemant wert besmet,
Siet toe dat ghy een voet niet buyten ’thuys en set.

Roemer. — Nu gaan wy, het is tijdt. hoe langh suldy noch marren?

Moyael. — Gaat binnen ghy lie, of vervolcht ons van varre.

Her derde deel, Het derde uytkomen.

Frederyck de Broeder van ’t Haechsche Meysje.
Waarlijck hoe ick mijn meer bepeyns en wel versin
Dit gaan en komen heeft al veel bedenckens in.
Nochtans soo isser yet dat my ’t hart kan beroeren,
En doet mijn sinnen al een heftich oorloch voeren,
De leydtslie vande strijdt, die zijn voormaemlijck dees,
Ter eerder sy de hoop, ter anderer de vrees:
Want van Moyaal en kan my anders niet gheschieden
Als schaad’ en schand, en opspraack by de vrome lieden,
Die als sy ’t sullen sien, stracx vraghen en vermoen
Wat dat Frederijck heeft met dese hoer te doen?
Nochtans sack ickse noyt als dese reys verlede,
Als sy met haar meyt tot harent halen dede,
En nae dat ick daar quam, sy vant wel haast een saack
Om my te houden daar een wijltijds met der spraack.
Met schijn-heylich ghelaat soo heeft sy haar ghelaten
Ghelijck of sy met my yet sonders had te praten,
Van saaken van ghewicht: maar stracx docht ick, dat sy
Bemantelde met schijn van deucht haar boeverij,
Recht als my was geseyt, dat sulcke loose vrouwen
Die trecken bruycken om de Jonghmans an te houwen.
Sy schickt haar an’t buffet, verciert op zijn ghesienst,
En treckt my neffens haar, en biedt my alle dienst,
En socht soo middel en loose gheleghentheden
Om my te vraghen uyt met d’een en d’ander reden:
Int kort so vraaght sy myn met een te dubb’len gheest:
U Ouders Frederijck, zyn sy langh doot gheweest?
Ick noemden haer den tijdt, helaas! van haar verscheyden.
Voort vraecht sy na myn goedt, en meer omstandicheyden:
Hoe, waar myn Vaders Huys ghestaan had in den Haagh;
Ja duysent dingen meer, int lest doet sy een vraagh
Of ick gheen Suster, noch jongh zynd, had verlooren
Inden Troubel? en oft aan haar niet wast ghebooren
Waar an datmense mocht bekennen? en midtsdien
Of ickse kennen souw, als ickse quam te sien?
Waarom soo vraacht sy dit? hier staat my op te letten,
Misschien of dit de pry met valscheyt uyt gaet setten,
Om my te maken diets, dat sy myn Suster is,
De yewers is vervoert van eenighe lichtmis;
Doch so myn Suster leeft, door Godts krachtich bewaren,
So is sy oudt ontrendt haar ses of achtien Jaren.
Moyaal is wel so ouwt, of minder niet als ick,
Oock ken ick haar voorstel wel dooden schriftelick.
Sy heeft my we’er ontbo’on, dies ben ick onverduldich;
Ick sweert de dardemaal blijf ick de reys haar schuldich.
Houw sick houw! Angniet. — Wien is daar? Fred. — De gheen die ghy ontbiet.

Angniet. — Myn Jofvrouw is niet t’huys! Fred. — Ja wel, dcoht ick het niet?
Of hebdy t’saam bedocht om my eens te bedrieghen?

Angniet. — Ay lieve komt in huys, en hoort eens sonder lieghen;
Moyaal die bidt u, dat het u ghelief, myn Heer,
Te komen morgen eens, om harent wil hier we’er.

Fred. — ’k Heb anders wat te doen. Angniet. — Ay wilt toch so langh blijven
Tot dat sy weder comt. Fred. — Ick moet myn handel drijven,
Dus haaltse of ick ga. Angniet. — Blijft doch ick bidder om.

Fred. — Ick wil een Schellem zyn, soo’ck wacht of wederkom.

Angniet. — Meendij’t waarachtich Heer, ick sal u stracx doen leyden
Ter plaatse daar sy is. Fred. — Laat my niet langer beyden.

Angniet. — Klaartje Klonters, laat staan de schoot’len die gy wast,
Brenght dese fijn-man, daar ons Joffrouw is te gast.

Het vierde uytcomen, Het darde bedrijf.

Reynier een Jonghelingh.
Nu gist’re middach soo wy gingen op den Dam,
Daar d’een en d’ander lanst vast by de borsten quam:
So maackte wy een ringh ghelijck de Poortegysen
Den een die begon dit, en d’ander dat te prijsen:
Wat, seyde Licht-hart, ’t is hier lang enoech estaan,
Goemannen wat raat, waar selle wy toch gaan?
Komt gae wy op de Hal en sien de geesten speelen.
Maar packe-bier die sey ick mach geen schempen veelen,
’k Ben liever inde kroech by een excellente Trijn;
Ick mach so langh oock by gheen Rederijckers zyn:
Want dit volckje wil steets met alle Menschen gecken,
En sy kunnen als d’Aap haar afterst niet bedecken;
Sy segghen op haar les, so stemmich en so stijf,
Al waar gevoert, gevult, met klaphout al haar lijf!
Warent de Engelsche, of andere uytlandtsche
Die men hoort singhen, en so lustich sien dantse
Dat sy suysebollen, en draeyen als een tol:
Sy spreeckent uyt haar geest, dees leerent uyt een rol
’t Isser weer na (seyd ick). alst is, sey Eel-hart schrander,
Dat verschil is te groot, besietmen ’t een by ’t ander!
D’uytheemsche die zyn wuft, dees raden tot het goedt,
En straffen alle quaat bedecktelijck en soet:
’t Was moy, sey schalcke Jan, dat sy lieten haar ghekibbel:
Maar ’tis telckens weer-an met een hibbel en dribbel.
Noch leeren sy de luy te laten nijdt en twist,
En ’tis een volck dat selfs staagh buyten de pot pist.
Wat schaat dat? seyden ick, of sy somwijls wat twisten,
Dat doen wel fijnder lien, al zynt gheen Kameristen
Doe sprack daar op Klaas Kluft, ick ben dees praat al wars,
Mesjeurs wat nieuws, daar zyn nu Oesters kars en vars,
En nuwe Rijnsche wijn gints op de Hantbooghs Doelen,
Komt gawe, seyd hy, en laat ons dit een doorspoelen.
Wy ameldent al: maar Piet recht-uyt wouw na de Kerck,
Ick doe oock goet sey’ck, als ick in ’sLants mid’len werck;
Want waar souwen de Waarden, Pachters, Penningmeesters tgelt haalen,
Daar de Staten der Steden me versien, en de Soldaten me betaalen?
Wat sinje een nuw-man, sey Melicker, die wouw na de vrijsters,
Wel, seyd ick, benje mal, als dese Amsterdamsche Asse-vijsters;
Die een heele uytstrenghen dach gaen loopen by de meyt,
Ghelijck als men van Dirick-door tot een geggetje seyt,
Die niet troeven en kon, maar dat hy eerst lierde dat
By Lysje met een oor, dan ’tkosten hem wel een half vierde vat
Rabbauwen, met een beniste Koeck, en dardalfpont karstengen.
Wat noch prijs ick myn selfs, ick weetmen tijdt beter door te brengen
Met een pasdijsje, en trocentje, en ticktackje en een verkeertje,
Wat seghje daar of, eekkegeest? kuen gyt niet, hoort hier! ick leertje.
Waarachtich ick sech eer ick de meyt wou loopen na haar gat
Ick wouw liever dat sy de fransoysen of sintvelten hadt,
Komt, gaat met ons en drinckt een kanne wijns, of anders wat sel icker
Meer of segghen? als Melckert is een rechte meyde-melcker:
Loopt schijten met de meysjes, ick ry liever te Paart
Een singelten eens om, dat is toch de moeyten waart.
Ick wouw liever een roosenobel verrosesoolesen en vertabacken
Eer ick by dat geschuerde goedt sou praeten alderlye quacken
Of ick ga so lief in een Kaatsbaan en haal een warm lijf,
Dat konmt so nauw niet, al verspeul ick hondert gulden vier vijf,
Wilje me, so gaet me (seydese), wy sellen om ’tgelach maer spuelen,
Wy willen hier niet langher gaen als een Paert in een rosmuelen.
En blijven hier int ooch van het graeuw, of dit ghespuys.
Doen seydes: Writsaart, ghy bent op de Doelen een kijnt ten huys,
Wilt so veel doen en gaender heen, en segghen:
Dat sy voor ons sessen dry Kapoenen, en vijf Snippen anleggen,
Met een deel Vincken, en Lijsters, met een delickate Bouwt,
En seght Heereman en Ariaantje, dat sy ons de beste Kamer houwt:
Siet, Writsert, wy maken u Heer enne Voocht van morgen avent,
Maacktet so bont als gy wilt, ’tis toch alle daagh gien Vastelavent.
Schaft louter vol op, voor een Prins, het moeter nu op staen,
Al souwen wy te nacht de klapmuts en de botter op een rooster braen.
Wel Writsert namt an, dat hy dit teghen nu t’avent sou beschicken;
En nu wy daer komen en isser te bancken noch te bicken:
Wy keken op menkaer, want wat souwen wy toch doen?
Wy wisten niet wat wy souden dencken of vermo’en:
Dan ick denck dat hy van sijn laagenoots heeft vernomen
Datter weer een nuwt haertje, of swaentje is gekomen
Yewers in een kufje, daer hy hem by vergeet.
Daar is niet een kamer-katje, niet een stijfstertje dat hy niet en weet:
Want hy het de besteetster en rofsters, en koppelsters op sijn hant
So datter niet een nuw snofje komt van oosten of van brabant,
Of hy heefter syn Kouranct of, hoe wel s’et niet luyt roepen.
’Tis een goet schic van een knecht, tis jammer dat hy so loopt snoepen.
Ten is geen wonder al is hy jongh dat hy alree brilt:
Want van sijn vijftien of sestien Jaer so raackten hy op het wilt
Door sijn Bierdragers, waagdrachers, Koorendragers daer hy me uyt ree,
Die lierden hem alle schellemerij als hy slechts de witten uyt dee,
En Spueldent Heerschip. Hoe souwen vuel koopluy huer goet niet mind’ren
Dies sonen so diep gaen, en teren aars noch aars als grave kindren,
Die ’tachten vuer een truesnues datmen duysent kroonen opset,
En so komt datter mennich haar goedtjen en huer koeck op het.
Nu, mijn Spitsbroer die hebben de last geleyt op mijn
Om Writsert te vinden, ick vind’ oock waer ich hem vijn.
Gordt vondt ick hem nu t’huys, ick sou hem loos uyt haelen.
Wat sie ick ginder? wel wie komt daer van Moyaalen?
Is hy’t? neen hy! ’Tis hy! wat souw hy? Hy ist! ick ghelooft:
Hy moet de Vastelavondt wel dapper hebben in sijn hooft,
Of ’tmoet een wedt-spel zijn, dat hy heeft wille winnen,
Of souw hy’t doen uyt liefd’ tot lust van sijn Vriendinne?
’Tis wel een gecklijck kleedt, de Karel is wel nar,
Had hy’er twee tot hem, so mocht hy singhen van de Star:
Hier kamen wy Haeren mit onse steeren,
Das Kindelyn Jesus willen wy liben ond eeren;
De jungste Kuningh is wolle bekant,
Dat isser de Koningh aus Greeckenlandt.
Maar is hyt seker al? ick souwtme licht ontgeven:
’t Ghelijckt hem an zyn gangh: hy isset al zyn leven!
Ja wel het is te mal, de geck is seecker sot,
Hier schort niet dan een blaas, of so een rommel-pot,
Om voor de luyer duer te rasen en te singhen
De neske-deuntjes met de kinderlijcke dinghen
Als: gheeft my een Panckkoeck uyt de pan, ho man, ho:
De Vastelavondt die komt an: so myn Heer, also:
Ick wil hier eens gaan staan, en luysteren te deghen,
Wat tot dees dwaasheyt mach den jonghelingh beweghen.

Writs. — Ach! is hier yemant oock? neen hier is niemant niet,
Die myn vervolcht of hoort, of niemant die men siet:
En sal ick niemant dan myn vreuchden eens ontdecken?
Och! of hier yemandt waar, die ick dit mocht vertrecken!
O myn! nu ist Tydt, dat ick de wreede doot
Sou nemen wil in danck, op dat mijn blytschap groot
Door ramp noch ongheval, schielijcken comt te sterven,
Oock mach ick opter Aardt geen grooter vruecht verwerven.
Maar waarom komt hier nu niet na myn wil en wensch
Eenich verneem-kleetje, noch geen nieuws-gierich Mensch,
Die myn het hooft wat breeckt, met lastigh uyt te vraghen?
O Writsert wat is dit? wat sotheyt doet u draghen
Dit malle Momme-pack? hoe koomdy doch so bruyn?
Wel hoe grim-lachje dus? wat hebdy voor Fortuyn,
Dat ghy u dus verhuecht? hoe staatet lijf soo rustich?
Hoe zydy doch so blijdt, so sorgheloos, so lustich?
Waar hebdy doch ghehaalt dit grillighe gewaat?
Waar koomdy doch van daan? of waar ist dat hy gaat?
Hoe staatet hooft so los? sydy wel by u sinnen?
Wat rasery is dit die u dit doet beginnen?

Reynier. — Ick sal eens by hem gaan, en spreken hem eens toe
Mogelijck of ick hem daar vruntschap mede doe.
Wel Writsert! wel hoe nu? van waar dees sotte dinghen?
Wat mallicheyt is dit? ghy slacht de hockelinghen;
Ghy hippelt, ghy drabbelt, ghy raast, ghy springht, ghy baart
Al eveleens of ghy niet gaar gebacken waart.
Wie heeft u dus gheswart? laat ghy u dus besmeeren?
Hoe raak gy Eelleman an dit fatsoen van cleeren?
Wel dusken Joodschen doeck om ’t hooft, mach dit bestaan?
Meen jy dit nuwetje te brenghen op de baan?
Dit volck is so mal niet, sy houwen watter dracht is
Quamje te Delft, of yewers daar de pracht is
Ghy kreeght een dicke buyt ten minste voor ’tfatsoen,
’Tzyn Apen van menschen die alle dingh na doen.
Hoe bendy dus verblyt? u hooft gaet als een muelen:
Sinje met de kop equelt? loopese wat spuellen?
Hoe siedy my dus an? wat isser? ist geen deech?
Wel hy! hoe swyghdy dus? maer toch, ben gy al sneech?
Of waarom hebdy doch dees dwaasheyt voorghemomen?

Writs. — O Doot! Reynier ghy mocht u leven so niet komen,
Dat ick u liever sach als tegenwoordich nu!

Reynier. — Ay vertelmen doch wat, Writsert, dat bid ick u!

Writs. — Hoort hier, ick kan myn vruecht noch houwen, noch beleggen;
Maar ’tgeen dat ickje segh, dat moet gy niet we’er seggen.

Reynier. — O neen! eer icket docht, ick deedt liever. vertel.

Writs. — Myn Broeder heeft een boel, Reynier kundyse wel?

Reynier. — Ja ick: ghy meent Moyaal, alias de Spaansche Joffer.

Writs. — Recht so, de by-sit vande Kakel-bonte Doffer.
Dees wert huy-morgen vroo een overschoone Maaght
Gesonden, maar waarom en heb ick niet gevraacht.
Reynier! Hoe sal ick toch ten eynde toe vol-loven
Die doch in schoonheyt gaat de schoonste var te boven.
Ghy weet, o Reyniet! wel, dat ick (’twelck ick beken)
Al vry wat nauw geset en kies op Snollen ben.
Daarom so mooghdy myn volkomelyck vertrouwen,
Dat ick wel oord’len kan wat schoon is inde Vrouwen.

Reynier. — Wis. Writs. — ’tMoet oock al wat zyn dat myn schier sat gemoet
Na sulcken nuwen smaak dus water-tanden doet.
Ja wel, ick segje dat, ten is niet uyt te spreken
Hoe my de soete Min het harte heeft ontsteken.

Reynier. — Is het waar? Writs. — Ja ’t is so, dat gyse eensjes saacht
Gy souwt seggen, dat sy de kroon van schoonheyt draacht!
Wat is het doch van noodt veel woorden hier te maken:
Myn Broeder Risert heeft om zyn Boels jonst te schaken
Een pick-swarte Moorin op haer versoeck gekocht,
Doch eer dat dese is tot haren huys gebrocht,
Ontmoet my by geval Koenraat, die dese swarte
Ging brengen an Moyaal, ick klaachde hem van harte
Wat dat my was ontmoet, ick sach hem nechtich an,
En met myn deerlijck sien beweeghden ick de man
Tot myn behulpsaamheyt, maar meest ick hem verblinden
Met hoop van loon en lof: Stracx wist hy my te vinden
En sonderlinghen vondt, hoe dat ick sonder gelt
Sou krijghen mynen lust; ick hebt in’t werck gestelt.

Reynier. — Wel hoe? Writs. — Luystert toe en let wel op myn reden:
Wy ginghen dese Slaaf ontblooten en ontkleeden
Haar bovenste gewaadt van fijn Cineensche Zy,
Dit schickt hy my an ’tLyf, en maakt een Swart van my,
En brocht my int bourdeel. Reyn. — wat wilgy my anpraaten,
Waar liet gy de Mooris? Writs. — die heb ick t’huys gelaaten.

Reynier. — Wel waar toe deed’ gy dit? Writs. — Wel dat is oock een vraagh
Die u niet wel en voeght: Om dat ick alle daagh
Haar spreken sou en sien, en doen voorts mijnen wille
Met dese schoone Maacht. Reyn. — Ay Writsert swijcht doch stille,
En payt een ander met de nuwe bueseling:
Ghy souwt so mal niet zijn om sulcken slechten ding.

Writs. — Is dat so kleenen saak en van geen meer belange?
Men schonck my aan Moyaal: na sy mijn heeft ontfangen
Brocht sy mijn vrolijck t’huys, en voorts int kort gheseyt,
Daer heeft sy mijn de Maacht te hoeden opgheleyt.

Reynier. — U? Writs. — Ja mijn. Reyn. — wat een praat? om dat sy niet sou dolen
Heeft sy het arme schaap de Wollif selfs bevolen.

Writs. — Sy beval my wel scharp dat ick noch Man noch Vrouw,
Hy waar oock wie hy waar by haar inlaten souw:
En dat ick gants alleen, alleen sou by haer blijven
Int veerst vertreck van ’thuys. Dit ging sy mijn voorschrijven.
Ick knickte met mijn hooft ootmoedich van ghelaat,
Dat ick te vreden was te volghen haren raat.

Reynier. — Arme schellem. Writs. — sy sey: ick gae te noen uyt eten.
Ick was stilswijgens blijdt, dat muechdy vry wel weten.
Sy gaat en brengt my met het jonge meysje teer
In een ghecierde Zaal behanghen met gouwdt Leer:
Hier stondt een Ledekant, en daar veel naakte Beelden,
Gints hingh een Schildery van ’tvrolijck hof van weelden.
En siet Moyaal die brengt dit Maachdeken an ’tbedt,
Want ’tscheen of haer voor ’thart yet sonders hadt ghelet;
En voort so ging sy uyt, en liet aldaar ons beyden
Wel verre van de li’en en vande straat ghescheyde,
Sy streefde na haer pol ten noenmael oft bancket:
Die en gebuertse noch verkrijghtse tallen tyen.

Reynier. — Ghy hebtet wel beschickt, waar sullen de gesellen
Nu avont bancken? he! Writs. — Dat sal ick wel bestellen,
Dat alle dinghen zyn te achten noch ghereedt:
Komt, gaewe dat ick mach verwisselen dit kleedt:
Maar waar sal ick toch gaan, ick heb myn raadt verlooren?
Koom ick tot onsen Huys, myn Vader souw hem stooren;
En hoort myn Broeder van de loose guytery,
Hy moortmen! Reyn. — Komt t’onsent dat is hier dichte by.

Writs. — Ghy secht wel, nu treet an, so mach ick van ghewaden
Verand’ren, en ick sal my voorts met u beraden,
Hoe ick in dese saack sal leven. Reyn. — Wel dats gangh.
O seeker, onse Maats die wachten al te langh!

        Eynde van het derde deel.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 oktober 1997