G.A. Bredero (1585-1618)

MOORTJE

HET VIERDE DEEL

HET EERSTE UYTCOMEN.

Klaartje Klonters, de Dienstmaacht.

Maar wat een Vent is dat? de Karel siet so fel,
Ick vrees dat dit Bancket niet wel afloopen sel,
Want Hopman Roemer is gestuert maar al te dapper!
Die seyt vast binnensmonts, gants lyde! ick kapper
En hacker lichtelijck op. O bloedt! hy wierdt so gram
Met dat daar Frederijck de Magets broeder quam
By men Vrouw, hy gaf haar een gesicht, die de neghen
Een doot-slach soude doen, en voort heeft hy ghesweghen,
En broeden eenen wraak met morren in zyn bloedt
En luypten als een fiel bedeckt onder zyn hoedt
Op ’twesen en gelaat dat Frederyck mocht houwen,
En dan we’er diefs-gewys na d’oogen vande Vrouwen.
Mijn vrouw die snooden hem wel vriendelyck, dat hy
An Tafel komen souw, en sitten me wat by:
Hy weygerdent wel sterck met schrueppeloose grillen.
Den Hopman sprack in’t lest (doch om Moy-alen willen)
Hier hy gy Slocker-hals! durfje niet? doetet vry
En komt hier by den back en hebt so goedt als wy.
Hy sprack met geen gemoedt, maar met jaloursche sinnen.
En veynsden sich vol jonst, en vloeckten hem van binnen,
Van binnen in zyn hart: Voorders scheent dat myn Vrouw
Den Jong-man Frederyck yet sonders seggen wouw
Van zyn Suster Katryn: sy wees hem swyght met wencken;
Den Hopman sacht, dit steef zyn vorigh’ achterdencken,
Dies borst hy toornich uyt na Kackerlacx vermaan;
Strax trock hy ande schel, en wouw datmen souw gaan
In alder yl geswindt, om Tryntje daar te bringen:
Want hy belust was haar een duentje te doen singhen.
Dit heeft myn Vrouw terstont wel tegen lang gestaan,
En sprack: O Roemer! dit en dient toch niet gedaan,
Datmen de ze’ege maacht op vrolycke maaltyen
Sou roepen, dat en mach haar kuyscheyt doch niet lyen:
Sy schuwt de dartelheyt, ghy weet wel dat de Wyn
Niet matichs in hem heeft, en hoe de Mannen zyn.
Hy brulden als een Stier, en voer voorts uyt met kyven:
En zy en sweegh niet stil, ick dorst niet langer blyven;
Doch eer dat ick verliep, heeft my Moy-aal dit gouwdt
Van acht’ren , met een treck heym ’lyck in d’handt gedouwt
Dat ick ’t t’huys brengen souw, sy sal hem oock ontsluypen
Indiense kan; sy vreest dat op haar kap sal druypen.

Het tweede uykomen, van ’t vierde deel.

Ritsaart wederkomende van Sloten.
So ick na Sloten ging door myn bekommert-he’en,
So misten ick de wegh, en liep na Amsterveen.
Ick volghden ’twagen-spoor, myn sinnen onbescheyden
Selfs sporeloos en wuft myn domme siel verleyden.
Ick ging in myn gemoedt en stapelde met kracht
Veelderley schocken van gedachten op gedacht:
Ter harten trocken uyt de klachten droef met hoopen,
Dies my een Bronne is van Tranen afgeloopen;
Ick sprack myn selven an, hier ben ick, waar is sy?
Ach lacy! inde Stadt, en Roemer isser by,
En ick ga hier alleen myn suchten wijdt verspreyden,
Verselschapt van myn sorgh, en sware swaricheyden,
Ick sackten in myn leedt, en welden in myn smart;
Het alderswaarst, helaas! dat viel my op het hart:
Ick seefden mijn gepeyns, het kaf daer uyt ghewannen,
Wat bleeffer in myn breyn? maar: Ritsaart is ghebannen,
De troetelingen van den Hopman haar verleydt,
En de verkeerde sin van haar lichtvaardicheyt.
Ick stampten met myn voet, myn ooghen opgheslaghen
Ten Hemel! en ick staar; een Rotterdamsche waghen
Met rinckelend’ geraas, en krakende ghekras
Verschoot my, en ick sach dat ick by ’tloopvelt was;
Daar scheldt ick en verfoey flux myn onachtsaamheden,
En heb voorts met een sprongh de wech te rugh getreden,
Tot dat ick wel besweet by ’t Overtoompje kom,
Dat over, en ick sla de Leydsche schinckel om,
Voort tel ick al myn schreen tot dat ick coom te Sloten,
Daar myn ghetal is uyt, en dit in ’t hooft gheschoten:
Ach ick ellendige! sal ick twee daghen hier
Verslyten gants alleen? of wil ick gaan te bier
By onbevoelijck volck, van onbevallijcke Boeren
Myn steeckt de wallich van het leven datse voeren.
Nu ick mach wederom gaan wand’len na de Stadt,
Neen dat is niet met al: waarom niet, wat schaat dat?
Ist dat myn lichaam haar niet daad’lijck mach anraaken,
Ick sal met myn ghesicht ten minsten haar ghenaaken:
En waarlijck het ghesicht in saken vande Min
Is al een treffelijck dingh! met dat my dit viel in
Besloot ick so terstont my na de stadt te spoeden
Ghelyck ghy siet, wats dit? dit gheeft my quaat vermoeden,
Dat Angeniet neemt uyt haar huys, met sulcken grooten haast.

Het derde uytkomen, van ’t vierde Deel.

Angniet, Klaartje, Ritsaart.
Waar sal ic die rabbaut, dien schellem doch verschalcken?
Maar zynder sulcke guyts ooc onder de schyt-valcken?
Nu sie ick dat Damast, Fluweel noch schoon Sattijn,
De lieden niet maackt vroom, alst snoode guyten zyn.
In Vrouwlijck gheweydt, om ’tmeysje so te schenden?
O schantvleck, o bedroch! o gruwel boos en fel!
Afgryselijcke daadt! past dit een jongh-gesel
Als u! of uws ghelijck, al waarmen sou op bouwen
Een Kerck? men mach voortaen noch man toch mensch vertrouwen.

Rits. — O Godt! wat wil dit zyn? Ang. — Hadt hy noch maar geblust
Syn moetwillighe wil en eer-vergheten lust:
Maar wt; hy heeft daar toe de Magets kleedt gheschonden,
Gesletert en geschuert, en om zyn handt ghewonden
De tuyten van haar hooft, en trockse by den haar
Langes de harde vloer, en lietse legghen daar.

Rits. — Och! Ang. — Och had ick hem hier! ick souwt hem so uytdrooghen
En krabden hem zyn licht met naghels uyt zyn ooghen!

Rits. — Warachtich ick gheloof en ick denck anders niet
Of daar moet vry wat vreemts tot harent zyn gheschiet:
Vermits dat sy dus baart: wel wat doet u dus klaghen?

Ang. — Schaamdy u Ritsaart niet? maar durfdy dat noch vraghen?
Ghy booswicht als ghy bent, wech gaat van hier al stil,
Ghy en ’t Moortje zyt waart dat ick niet segghen wil.

Rits. — Waarom? wat isser gaans? Ang. — Vraaght dat u ouwe schoenen,
Men hoort u allebey te ruynen en Kappoenen.

Rits. — Waar over? en om wat? Ang. — Ick spuw van spijt myn gal
Om u bedriegery. Rits. — Hoe ist hier, sinje mal?

Ang. — Neen dat en schort myn niet. Rits. — Gy doetet myn gelooven
Door dese sotte praat. Ang. — De Maacht haar eer te rooven
Met openbaar gheweldt! Rits. — Gy bent werentich sot!
Wat pratery is dit? Ang. — Men hoort hem opt Schavot
Te vierendeelen! Rits. — O Angnietje gy bint droncken,
Heb gy te gast geweest? Ang. — Ick ben seker niet beschoncken,
Maar ’thooft is opter loop. Rits. — Bedaart u als een Meyt!
En slaaptet moytjes uyt. Ang. — Wat foey u listicheyt!
Dat ghy ons voor een Vrouw also een man gaat stuuren.

Rits. — Gaat en benochterd u, wat schaamt u voor de buuren;
Tis wonder dat de wyn de Menschen so verdwaast.

Ang. — Ick ben niet droncken, so! Rits. — Myn lieve kint ghy raast.

Ang. — In waarheyt ick en doe. Rits. — Hoe is dit toegekomen?

Ang. — Omdat u Swartin heeft dat meysjes eer benomen.

Rits. — Kindt mydt u voor den dranck, wat doe g’er me int lijf?
’t Staat lelijck voor’een man, noch lelijcker een wijf.

Ang. — Ick heb gheen noodt vanden dronck, ick macher oock niet tueghen,
Ick drinck maar maattelijck, en dat maar tot verhueghen.
Och had ick oyt gedacht dat ghy so valsch souwt zyn?
Maar Ritsaart sydy oock so onghelijck u schijn?
Die u int aansicht siet en hoort u deftich spreken
Die valtet niet eens in, dat in u borst souw steken
Sulck een verraders hart, als gy an ons betoont
Tis wreetheyt dat ghy niet d’onschuldighe verschoont,
Of u myn Vrouw onlangs also ter luere stelden,
Moet dat d’onnoosel maacht so jammerlijck ontgelden?

Rits. — Ghy raaskalt, wel hoe nu? ick kan u niet verstaen:
Waar van beticht ghy myn? of wien heb ick misdaen?

Ang. — Vergroot de sonde niet met u ontijdich lieghen,
Men souw de wijste mensch te werelt so bedrieghen:
Ghy schenckt ons een Moris, men hadt geen achterdacht,
Of sulcx als ghy spraackt so was ons voortghebracht.
Maar so wy nu bevroen en klarelijck bemercken,
So ist een man gheweest an zyn schellemsche wercken.

Rits. — Ghy liechtet stuckevleys: want ick weet seecker, dat
De Schipper heeft by huer een kindt of twee ghehadt.

Ang. — Hoe ’tis of niet en is, het werrick sal ons schayen;
Watmen de Dochter vraecht, sy antwoort slechs met schrayen:
De schaamt sit op haar tongh, die ’tspreken haer verbiedt.
De schandt die knaacht haar hart en kluyftse met verdriet.
Ick sorich de Deeren sal dit al te seer inbinden,
En dese Vrouw of Man is nerghens niet te vinden;
Dit doet myn vresen noch dat daerenboven hy
Int vluchten heeft ghepleeght eenighe dievery.
Ick heb een groote pleyt ter vierschaer van myn sinnen:
Want ist een Vrouw gheweest hoe souw sy dat beginnen?
Tis teghen de natuur: ist een Man van een swart?
De vrees die souw de lust hem drijven uyt het hart.
Ick weet niet hoe ick stae, so dut ick om dees schennis.

Rits. — Waar sal sy loopen doch? sy heeft hier gants kennis,
Ten waar sy by geval nu weer tot onsent was.

Ang. — Ay sietet eens ick bidts. Rits. — Ick sal seecker so ras
Alst my maar mog’lijck is. Klaer. — Wat dunckt u myn Vriendinne?
Wat sullen wy bestaen? wat raadt is doch hier inne?
Ick hebbe noyt ghehoort so schandelijcke daat,
Die het verhalen self voor ons niet toe en laat.

Ang. — My was wel eer geseyt (in ick recht heb onthouwen)
Dat die Moorianen zyn genegen seer tot Vrouwen.
Maar oft haar hart en sin wel tochtich daar toe track,
De angst voor doot of straf haar gayle lust wel brack.
My quam het minste quaat niet eens in myn ghedachten.

Klaer. — Angnietje wel wie sou eens dencken om verkrachten?

Ang. — Ja had ick dat ghedocht ick had hem wel geset,
Daar hy zyn ziel noch Maacht sou hebben so besmet.

Het vierde uytkomen, van ’t vierde Deel.

Ritsert, Negra, Klaartje, Angniet.
Komt uyt ghy lelyck panckt! hoe langh suldy vertoeven?
Komt voort ghy bavyaan, de droes moet u bedroeven.

Negra. — Och Heere! genaed, och! Rits. — swijcht, swijcht, dat is te vroech,
Als u de Buel wat gispt dan ist noch tijds ghenoech.
Wat beduyt dit? secht teef! dat gy durft wederkeeren?
Wat wil dit, dat ghy u verandert dus van kleeren?
Angnietje! had ick noch een weynich maar ghebeydt,
Sy waar ons wis ontsnapt, haar vlucht was al bereydt.

Ang. — Och heb gy daar de gast? Rits. — Ick hebse al ghevonden.

Klaar. — Och dat is wel gedaan! Ang. — is hy al vast gebonden?

Klaar. — Waar is hy? Rits. — dats een vraagh! hier heb ick huer, o die!

Ang. — Ay Ritsaart wyckt wat op, op dat ick hem besie
Te degen int ghesicht. Rits. — Wel Angeniet komt hender,
Besiet en oordeelt selfs, is dit de Vrouwe-schender
Die t’uwent is ghebracht? Ang. — Wou jy ons so ontvlien?
Hoe nu? ick heb dees mens myn daghen noyt ghesien!

Rits. — Hebdy hem noyt ghesien? Ang. — O neen! het wat een ander.

Rits. — Ick hebber anders geen. Ang. — ’t Ghelijckt niet by malkander,
Wat dit is maar een fayl, d’aar was van stal, van staat
Heel fier, heel fris, heel fray, en eerlijck van ghelaat:
Gans voeghlijck van bestuur, en zedich van manieren.

Rits. — Dat dunckt u, en misschien dees kleeren hem ontcieren,
Want gist’ren had hy an een schoon Oostindisch kleedt,
Gheschildert met een Kunst die’ck selver niet en weet,
Want hoement rolt en vouwt ’tsal barsten noch verflenschen
Veel Indianen zyn kunstighe kloecke Menschen:
Voorts wat het kleet angaat, dat verciert vaak de Man,
Of het ontciert, naa ’t den ghenen die ’theeft an:
En waar sy weer ghepronckt, sy souw u licht bevallen.

Ang. — Maar Ritsaart wat een klap? ’t ghelijckt hem niet met allen,
Ghy maackt men dat niet diets, daarom so swijcht vry stil,
Wat tusschen dees en die is toch te groot verschil:
Want d’andere die was int hartje van zyn Jaren,
Wiens nues, wier wangh en kin al even kaluw waren;
Het lyf stont hem so quicx, hy had so soeten lach,
Ick worde selfs schier groen als ick zyn ooghen sach.
Die hy wel vriendelijck verroeren kon en reppen,
Dat ghy zyn aansicht saacht, ghy souwer lust uyt scheppen.
Wat desen die is lomp, maniereloos en grof,
En slaperich, en luy, en kruepel, ouwt en of.
Wiens beck en noos is plat, en van wiens dicke lippen
Men eenen afval souw met een scherp schaartje knippen.
Haar ooghen die zyn groot, en ’twit is zeeltich gheel,
Dat glinstertals een kat by nacht, ’tvel is ten deel
Appelgraauw, en ’thayr is grijs ghelijck een Wesel.

Rits. — Wel hey wat spul is dit? meen gy dat ick een Esel
Of sulcken grooten geck, of sulcken bottert ben,
Die niet weet wat hy doet? noch dat ick niet en ken
Wien dat ick heb ghekocht en t’uwent heb ghesonden?
Ick salt u uyt haar mondt nu selven doen oirkonden,
Komt hier, segh ick, komt hier, heb ick u niet ghekocht?

Negra. — Ja myn Heer. Ang. — ’kwouw ick heur oock wat afvragen mocht.

Rits. — Wel vraacht heur wat ghy wilt. Ang. — Sydy van desen daghe
Tot onsent oock gheweest? Neen seyt hy op myn vraghe,
Ick wist voorseeker wel, dat dees het niet en waar,
En d’ander is op t’hoogst achtien oft twintich jaar,
Die Koenraat ’tonsent brocht. Rits. — Komt hier na myn begheeren:
Hoe quaamdy, en van wien so kreechdy dese kleeren?
Wel swijchdy nu, ghy beest? en spreeck gy myn niet aan,
Ghy monster van een mensch, of moet ick u wat slaan?

Negra. — Writsert quam. Rits. — wie, myn broer? Negra. — ja. Rits. — wanneer quam hy? Negra. — heden.

Rits. — Hoe laat wast? Negra. — de klock tien. Rits. — met wien? Negra. — Koen wasser mede.

Rits. — Hebdy myn broer gekent? Negra. — myn leven niet. Rits. — dats mis:
Hoe weet ghy Meer-aap dan, dattet myn Broeder is?

Negra. — Koenraat gaf my dit kleet, die seyt. Rits. —tis ommekomen

Negra. — Hy ruylde pack om pack, en heeftet myns ghenomen,
En gingen ’tsamen uyt. Rits. — O menschen ick wordt dol!

Ang. — Ben ick nu droncken, he? of heb ick myn gat vol?
Nu sie jy ymmers wel, dat ick niet heb gheloghen.
Och! ’tis maar al te waar, het meysje is bedroghen.

Rits. — Wat swijght ghy malle meer! hoe komt dat ghy dus schreyt?
Gheloof gy dan so licht, wat dat dit vercken seyt?

Ang. — Ick gheloof dat ick sie, laas! aande droeve dinghen.

Rits. — Komt hier, noch nader, so, wel secht myn ny geringe:
Myn broeder Witsert, hoort, trock die u ’t kleetjen af?

Negra. — Ja Heer, en dese vod hy my in mangel gaf
En hy gingh tot Moyaal. Rits. — En hy gingh tot Moyaalen
In u plaatse? Negra. — ja heer. Rits. — dit doet myn kennis dwaalen.
Wat schelmery is dit? Ang. — ghy twijffelt ymmers niet,
Of dese vrouwe-kracht is van u broer gheschiet?

Rits. — Hoe sydy doch so sot, dat ghy noch meucht ghelooven
Dat dese Negra praat? ick kanse niet verdooven,
Ick weet nau hoe ick wil: hoort, loochent het nu al,
Dat ick in huer by-zyn u hier afvragen sal. (tot Negra)
Sal ick van desen dach gheen waarheyt werden vroeder?
Saachdy u daghen oyt, of kendy wel myn broeder?,

Negr. — Neen ick. Rits. — nu seyt sy neen, daar sy vlus anders sey.
Ick sie watter of is, sy moet eens ande pley,
Daar Meester Farel huer also langhe sal recken,
Tot hy de waarheyt haar wel uyt de mont sal trecken.

Negra. — Gy nyptmen, och houwt op, o myn gy doet myn sier!

Rits. — Fluck in! Negra. — O myn! o myn! Rits. — ’kwist niet op wat manier
Dat ickt ontkomen sou, dat eerelyckst souw toonen
De saak die is so vuyl, ick kanse niet verschoonen.
Spot met u Meester weer, als hy u yet ghebiedt,
Sit daar en koekeloert, en pronckter dat ghy swiet.

Ang. — Ick weetet Klaartje so waarlijck als wy leven,
Dat Koenraat Writsaart heeft dees snootheyt ingegheven.

Klaar. — Dat gaat vast ’tis gheschiet. Ang. — dats over, ’t heeftet al
Ick wedt dat icket hem te pas weer brenghen sal.
Maar wat dunckt u, Klaartje, hoe sal ick ’t best anlegghen?

Klaar. — Waar in Angnietje? o van Trijntje wilje segghen:
Ghelaat u, recht of ghy noch nergent of en weet,
Rept van het bedroch, noch van ’t geweldt niet en beet:
So blijft Moyaal gerust en ’t meysje by haar eere.

Ang. — ’t Sal tot etter en bloedt dien Koenraat noch uytsweere!

Klaar. — Secht, die Moris is wech. Ang. — Wis, dat sal ick wel doen.

Klaar. — Siet daar is Frerijck weer, dat doen my nu vermoen
Dat onse Joffrouw hier terstonden an sal wesen:
Want eer ick gingh van daar, was daar een twist gheresen
Tusschen den Hopman en myn Vrouw. Ang. — Gaat veeghtet stof
Van ’t Staat-tresoor, en voort so wascht u Vaten of.

’t Vijfde uytkomen, vant vierde Deel.

Frederyck.
Stae vast als een Man, so: ick heb seecker wel stro-bienen,
Ick tre sulcke kruys-treen, wel hey! springe de stienen
Overeynt? hoe ist hier so doncker? of ist myn oogen schult dat ick dwaal?
After in myn kap, margen weerkomen, ja alst is Moyaal
Wat een eereylijcke Juffer, wat een dappere Joncker!
Hoe nouw! dats dollemans praat, ick ben geen fraey droncker.
Daer sinder, niemes te na esproken, al beter inde Stadt,
Die een vaan met een toogh drincken, en in een nacht een hallifvat,
Ick sie’er daar wel een diel, maar ick selse niet noemen,
Die voor een frayicheyt huer beestich drincken beroemen:
Wat dunckje gemannen, dattet gheen rustighe baasen zyn
Die onder hyn drien, op een sitten, droncken twintich kannen wijn?
Ja seker sulcke zynder al, diet huer wel hartich souden belghen
Dat sy de Oostersche kop met Pomersche sluerip souwen kunnen uytswelchen,
Dat is by gedt geen kinder-werk, het is een mannelijcke daat:
Wat ick houw noch vuel van en man die hem op den dronck verstaat,
En stadich daar by blijft, en hem niet en laat verguysen noch verbluffen:
Al ben ick maar een slecht Burgher, ick souw noch voor geen Haarlemmer suffen
Om d’eer van Amsterdam, daar souw ick al vry wat om doen,
Al souw ick een water-galletje te veynster uytwerpen, of moytjes in myn schoen:
Neen ick gaf het noch gheen kamp, dat hy myn braveerden of trosten,
Al souwt noch, sie daer, een gelach van vyfentwintich guldens kosten,
Wat rydt myn dat gladde speck, ick houwt seecker met de koeck
En alsment seggen mocht, de koeck is ’tspeck nou al ver te kloeck:
Al mienen de droogers dat sy allienich ’tventje bennen,
Wy hebben hier oock noch volck die lustich drincken kennen.
Dat bleeck wel an dat uytgelesen vaandel vanden Dam,
Dat met sulcken grooten eer van ’t trotsche Wtrecht quam,
Ghelijck als onse maats met groote smaack vertellen:
Siet daarom wy Swijght Wtert, voor onse Doele stellen.
Wat, onse volck, dat is volck, sy blyven even fris:
Het wel drincken is een kunst die elck niet egeven is.
So ick in huys quam daar sy an tafel waren geseten,
Sy noode myn alle bey, wel ick gingh daar sitten eten
Uyt een goethart, ’t was telckers weer an nou vryer eet wat:
Maar die gesontheyt van zijn Excellency! o die weet wat.
Het was by get sulcken kellick met nuwe Spaensche Moskedel,
Ick roock , ick proefde, ick dronckse, o myn het smaakte so wel!
Dan wast met een beniste boortje, en dan met een Rondeeltje,
Dan de Santé vande Matres, dan een klaverblaatje met een steeltje,
Dan konfloribus, dan met een oochje, en dan met een Snaers,
Stoot die Beker niet om vryer, wat so! veeght dt kynt zyn naers,
Onthouwtje natuur niet: schiet inje rop, prop inje darmen.
Och, docht ick, hoe weynich so dencken wy nu om den Armen,
Die oudt en doof, en slap, en sieck, en suchtich zijn
Hoe souwen die snacken, hadden sy een kroesje wijn?
En men ken hier op een Burghers-maeltijdt wel so veel verteeren,
Daarmen ’t ouwde Mannen Gasthuys me sou konnen stofferen.
En alsmen inde Kerck, of voor yemants duer schelt en luyt,
Dan geven dese slempers wel een God helpje, of een oortje, of een duyt
Men mach wel vrolijck zyn: maar wilmen Krist’lijck leven,
Men souwse noon te gast die niet weder kunnen gheven.
Of gafmen een Bancket, men hoorde ’toverschot
Te deelen hier en daar, den armen om Godt.
Met nam den Hopman drie roemers in zyn handen, en twee in zyn armen.
Avous duytsch-bloet, seydy, op ’twelvaren vanden Prins van Parmen,
Hy veeghdese louter uyt, en maacktese boven dicht:
En trouwen, ick oock, gants lichters myn kop is so licht,
Ick voeldent eerst niet, so ick noch ande tafel sat:
Ick wasser [niet] arch op, mits dat ick somwijls een wafel at,
Maar doe ick inde lucht quam en wouw na huys toe gaan,
Ick suysebolden en ick kon op myn biennen niet staan;
’tVerstant wasse wech, ick knickebienden en bleef roncken,
Ick heb al een poos eslaepen, en noch ben ick moytjes droncken.

Ang. — Waar mach myn Vrouw zyn? Fred. — Angnietje! maar wat sin gy een tas,
Gy bint nou wel hellifte goelicker as gy tangsjens was:
Komt hier gy katte-quaatje! gaat mitmen om en langetje:
Gy Hagedisje, gy Addertje, gy Serpentje, gy Slangetje.

Ang. — Nu Frederijck staat stil, het! gy bint wel goet soens,
Heer, hoe rydt myn ien knecht? wel jou lust wel wat groens.

Fred. — Gy Slackje, gy Spinnetje, gy Poddetje, gy kickertje,
Gy Kockedrilletje, gy Baseliskisje, gy Nickertje.

Ang. — Fyn gesel praat gy dus als gy by jou Vrysters bent?
So ist gien wonder dat gy niet an-raken kent.

Fred. — Gy schyt-venyntje, gy Monsterinnetje, gy Schorpioentje,
Gy Nacht-merytje, gy Gras-duyveltje, gy Griffioentje.

Ang. — Hoe ist hier, Keesquyl? speul-op met Jan Vlassen Harp.

Fred. — Wel hay! moer worje quaat? so komtet jou wel scharp.
Binje quaat, so blijft quaat, en loopt vry voor de pocken.

Ang. — Nu Frederijck laet staan, nou seker sonder jocken,
Nou tis hoogh genoech: en niet te veel dat is soet.

Fred. — Ba nues, kyck moer, wel hey sy is niet welle moedt.

Ang. — Maar Monsuer Frederijck en hebdy niet vernomen
Van myn Vrouw? Fred. — Angenietje, is sy noch niet ekomen?
Dat geeft my al te vreemt: ’tis wel een uyr gheleen
Dat sy van daar verliep en liet my gants alleen.

Ang. — Wel hoe quam dat toch by? Fred. — Sy worden t’samen twistich,
De Kapiteyn en sy; doch sy ontsloop het listich.

Ang. — En gaf sy u gheen lues te volghen met een winck?

Fred. — Sy deed een teycken, maar wel vluchtich met een swinck.

Ang. — Wel was dat niet genoech? Fred. — Jaat, maar ick en cont niet vatten,
Den Hopman begon stracx op myn pruylend’ te pratten,
Doen verstondt ick eerst recht dat sy myn schichtich wees,
Want hy stiet my voor duer: ick nochterde van vrees
Al wat, en ick gingh duer: daer komt de uytgelesen,
Ick docht seker niet voor haar an huys te wesen.

Het vierde Deel, de sesde Handelingh.

Moyaal, Frederijck, en Angeniet.
Warachtich ick gheloof dat hy hier stracx sal zyn
Om met gheweldt de Maacht te rocken nu van myn:
Maar dat hy komt, ick pas op hem noch op zyn gasten,
Ick wouw dat hy ’thart hadt dat hy’er dorst antasten.
Ick souw hem by men sier, gaan vliegen in zyn licht,
En krabben uyt zyn kop zyn wrevelich ghesicht.
Ick sal hem met die reekx so wieck kloppen en cleunen,
Alsmen de stockvis doet, wie souwt verdraghen kuenen,
De trotsche woorden die de rekel myn toesnaeuwt?
Of ick een vercken was so leyd hy staach en graeuwt.
Alst nieuwers voor en komt tyt hy hat ant hassebassen:
Soo hy myn stoot of slaat, dat mes sal op hem passen,
Al ben ick maar een Vrouw, laat mynder met betien
Ick heb wel eer een man in zyn ooghen esien,
Oft sulcken honts-klinck was, hoe seer oock dat hy pochten.
Doen ick een meysje was, doe heb heb ick wel ghevochten
Teghen een groote knecht, sou hy myn nu dan slaan?

Fred. — Gants ellemalement, ick sel nu vuerje staan.

Moy. — Ick mocht u ginder wel so langh staan en verbeyen,
En toonden ick u niet dat ghy terstonts souwt scheyen?
Hoor hier eens Frederijck, die twist die ghy hier siet,
En al dit groot rumoer is al om u geschiet.

Fred. — Om myn? dat loof ick niet, waar an ben ick doch schuldich?

Moy. — Vermits ick yverde, so vlytich en sorchvuldich,
Om u te lev’ren weer u eerb’re suster kuys.

Fred. — Myn suster, waar is sy? Moy. — Maar tot mynent in huys.

Fred. — Tot uwent? helaas! Moy. — Wat ist? en hebt gheen quaat vermoeden,
Ick hebse so gheschickt en eerlijck doen opvoeden,
In alle zedicheyt, en zyyverheyt ghewis.

Fred. — Ist moghelijck? watje secht? Moy. — Ick sechje dat waar is,
Gy sultet selven sien by blijcken en gheschriften.
Ick schencks’ u wederom: niet om gaven oft giften,
Maar uyt een gulle-gunst so is sy y ver-eert.

Fred. — Ach! dat myn danckbaar hart gelegenheyt ontbeert
Om u gelijcken duecht en weldaadt te verlienen.
Doch niettemin sal ick die weldaat noch verdienen,
Waar sich de middel maar an myn hem eens vertoont,
Soot doenlijck is dat sy kan worden nu beloont:
In ’t nijdighe gheluck die kants my niet wil stieren,
Sal ick gaan schrijven in de suyverste papieren
Van myn verwonnen siel en redelijck verstandt,
Dit hooghwaardighe stuck, dat my an u verbandt.

Moy. — O jongelingh ghy spreeckt manierlijck en verstandich.
Siet dat ghyse bewaart eer sy u wert afhandich
En gants onbruyck ghemaackt, draacht u nu als een helt:
Want siet sy is de gheen die hy myn met ghewelt
Ontschaken komt met kracht van zyn eerloose dieven.
Angniet! haalt my terstont haar Koffertje met brieven,
Met haar Juweelen stracx. Ang. — Waar hebdyt doch gheset?

Moy. — Daar dichte by de muer ande Schap-rae by ’tbedt,
Gaat heen ghy soete soch, hoe langh suldy noch praaten?

Fred. — Gints komt den Hopman met een legher van Soldaaten,
Tis al Haegghemans volck, van hack en zyns gemack,
Ach! komen sy op ons so syn wy vuel te swack.

Moy. — Sydy daar van vertsaacht? wilt toch voor haar niet vresen.

Fred. — Ick vresen? wat gheen mensch mach minder verbaast wesen,
Ick pas op gord noch mensch, op Duyvel noch op dood,
Ick ben een stouten droes. Moy. — Dat is nu wel van noot.

Fred. — Ick vraach na niemant niet! ick suffen! dat waar wonder,
Ick puf het Helsche spoock: ick driesch de dolle donder.

Moy. — Dats goet: maar overleght met raet, eer dat ghy strijdt,
Met wien ghy hebt te doen en wien ghy selven syt.
Bedenckt u wijsselijck eert Oorloch is begonnen,
So kundy ’t laten na, daar na soudy niet konnen:
Hy is een vremdelingh, ghy bent een burghers kint,
Hy is hier niet geacht, ghy syt hier seer bemint,
Hy is nieuwers ghesien, u groeten arm en rijcken,
En uwe macht en is by hem niet te ghelijcken.

Fred. — Dat weet ick wonder wel, ’t is sotterny voorwaar,
Dat wy ons sonder noot dus gheven in ghevaar,
Daarmen ’t wel schuwen kan: voor my, ick ben van rade
Dat wy voorsichtelijck ontwijcken onse schade,
En sien het an van veers, eer dat hy ons antast
Met zyn moetwill’ge handt, en grooten overlast.
Gaet ghy lien binnen, fluck! sluyt vensteren en dueren,
En grendeltse wel vast: en ick sal daat’lijck pueren
Na ’t Stadt-huys of de marckt, na Pieter Pietersz. Schouwt
Met al zyn Rackers, daar hy meest hem op vertrouwt,
Met Meynert, met Leentje, en met Jan de Neter.

Moy. — Ay Frederijck blijft hier! Fred. — Laat los ’t is seker beter,
Hoe meer volck meer ontsach. Moy. — Hoe meer, hoe meer gherucht,
Wy zyn toch sterck ghenoech. staat stil: weest niet beducht
Voor eenich ongheval, hy kan u doch niet deeren.

Fred. — Ay lieve laat my gaan, ick sal stracx wederkeeren,
’k Sal hem met een Stee-bood’ ontbieden voort voor ’t recht.

Moy. — Ghy hebter geen van doen, en vreest voor geen gevecht,
Besadicht u doch wat, bedaart u! weest geruster:
Vraacht hy u na de Maacht, secht maar het is myn suster,
Die, noch jongh zynde, is haar ouwderen ontvoert,
In Hollantsch meeste last, en oorlochsche beroert.
Toont hem hoe dat ghy haer ghekomen zyt te kennen
Aan de lit-teyckens, die an haar ghebooren bennen.
Houdt daar, daar is den Brief. Ang. — Sy komen, nu tast an,
Wel hoe besterf ghy dus? nu lustich als een Man,
Ist dat hy u mis-doet, so brenght hem voor de Heeren,
Gaat aan en grypt maar toe, wy sullent hem verleeren:
Nu dan, vat hem, bynt hem! hebdy my wel verstaan?

Fred. — Ja seer wel, maer ’t is een hangh-yser an te gaan.

Moy. — Nu treet hem manlijck toe, en met een goet vertrouwen,
Het geltje, dat hy niet eens stal sal durven houwen:
Ontset u niet int eerst, al snorckt hy wat stijf.

Fred. — Ick sal ’t doen Moy. — Vryer, hem! u Mantel valt van ’t lijf.
Gaat heen voor-vechter gaat, wat sal hy al uyt-rechten?
Hy beswijmt en beswijckt als hy maar denckt om vechten.
Alsmen vande man is, dan ismen stouwt en koen:
Maar alsmen komt ter hant, dan is het var van’t doen,
Dat hy maar yemandt sach die een hoep-stock ghevat had,
’t Wedt dt hy loopen souw of hy ’tvier in zyn gat had.

Het vierde Bedrijf, de sevende Handelingh.

Roemer, Kackerlack, Ian Neef, met al haar Soldaten. Frederyck, Moyaal.
By gord, dat was myn kroon te nae! achtse myn dan voor sulcken Jan Hen?
Dat ick dat souw lyen, of weetse niet wat ick voor een Man ben?
Ick ben gheen wieckeback-valck, ick ben een vueghel met een beck:
Wat laat sy haar duncken, dat mal om ’t hooft, sel sy met my scheeren de geck?
Wat rydt myn die stucke Hoers! komt hier ghy ouden Vegher.
Mons. de Kackerlack ick maack u Luytenant Generaal van ’t heele Legher.
En jouw Heer Bulleback, overster Ritmeester van al myn Ruytery,
Want ghy zyt toch van jonghs opghetrocken tot alle guytery.
En u Groofje Sergiant Majoor, en u Korperaal, en met de korsten,
Ick maack al den hoop Bevel-hebbers, Officiers en Adelborsten.
En u gheweldighe Provoost met u stootdaghens en Duytsche Dolck;
Tsa ghy ervaren Hoply, komt hier monsteren met u volck.
Treet an ghy vrome Krijgsluy, komt voort ghy Manne als Ruesen,
Gaat voort ghy Water-landers, ghy Noorder Boeren, ghy ouwe Guesen,
Die soo menighen Spangert hier op een kamp, en daer op een kant van een sloot
Gheduwt hebt en gedrenckt, en sloecht en stacktse doot
Met varre-jaghers, met u kloeten, met u polssen en springhstocken,
En pluysterden haar van ghelt, van kleeren, van Kasjacken en ruyters rocken,
Komt an ghy Struyc-roovers, ghy Moes-koppers, ghy Kaes-jagers, ghy Hane-veeren allegaar,
Ghy Overloopers, ghy Ballinghen, ghy Brand-stichters, ghy Beelt-stormers met men kaar.
Ghy Hopman, schente-kueken, wilt in oorden eerst voor uyt treden
Met u kneppels, met u klicken, met u bocxhoorens, met u kolven elck in zyn gheleden:
Dan ghy Hopman mueghe-vuel, en ghy selden sat, koom ghy t’samen voort
Met u tangen, met u as-schoppen, met u brant-ysers en braatspitten, ghelijck dat behoort:
Waar blyven u hovaardighe Vaendraghers met haar Levreyen en Sluyers.
Recht nu u stangen op, en ontwynt u slaaplakens, u schorteldoecken en luyers.
Wat so! set u volck eens te degen in haar ponctifikale krits:
Nu een reys vierkanckt, nu rechts om, slings om, arrier, twee simpels, nu spits,
Nu op zyn Duyts int rondt, wel Luytenent gy staat als een mof, gy pleecht te kennen,
O dats so recht! wie sou nu seggen dat onse soldaten Stoep-schyters bennen?

Kackerl. — De wittebroots kinderen. Roemer. — Wat sechje? Kackerl. — Ick sech dat de Kapiteyn by nacht,
Ons wel bystaan sal, soot noot doet, met zyn stoepjes en met zyn ratelwacht:
Dan wy zyn starck ghenoech, quam gy voor de mont vande Hel met u hoopen,
Als de Duyvels en nickers souwen van vrees in nabben-naers loopen.

Roemer. — Hoort hier myn Krijchs-raat, ik wil in geen manier, dat u onbewust
Sou zyn, waarom dat ick heb dit magnifijcke groote Leger toegerust;
Soo weet dan ten eersten, ghy Helden dat u Kornel in zyn darmen quaat is
Op Moyaal. Kackerl. — Wel waerom? Roemer. — Om dat sy niet wou by myn slaepen. Kackerl. — Dat is Crime lęse Magestatis
Wel verstaande tegen de persoon van uwe reverency,
Ja so seker, dat is een saack van seer quade consequency,
Die in een stadt van rechte niet en behoort gele’en en te werden.

Roemer. — Te tweeden daarom treck ick op in myn volle rustingh, en somma ten derden
So is myn Keyserlijcke, Koninghlijcke, Prinselijcke excellency selfs van sin
Haar huys te berunnen, te bestormen en met gewapender handt te nemen in.

Kackerl. — Publiceert al haar goet gekonfiskeert, na de krijghs ordinancy,
Op dat sy niet en heeft te pretenderen actie van ignorancy
En schrijft een brief van macht aan onse Stadt van Dordt,
Hoe dat ons Kruyt en loot en ’t grof geschut noch schort
Tot de gheweldige anslach. Roemer. — Ick salt haar verleeren dat backus van Bremen,
En ick salder met gewelt het Meysje Katrijntje weer benemen,
En blyvender voort van daan. Kackerl. — Dat heb gy wel overleydt.

Roemer. — Ick sal Moyaal geeselen met nat gras. Kackerl. — Gants bloed! dats noch beter geseyt.

Roemer. — Waar zyn de Pyoniers, delvers en gravers, dat sy ons stracx beschansen
Lecht hier de Switsers, daer de Schotten, en gints ’t regement vande Franssen.
Komt voor den dach Kapiteyn kleyn-sorch in’t oorloch wel ter weer;
Mars, mars, so als mannen, en set u weer midden in’t heer.
Nu ghy Millort Robeert, ny ghy Graef Jan van Hongeryen,
En gy Graef Olykoeck, voert ghy de Vluegel van ter slincker syen,
Waar is de Baroen Kalis Jan van bystervelt met zyn Kompagnie?
Hoe komt dat ic de kornet van Joncker Juerje spilpenning niet en sie?
Daer komt myn Heer flodder vet-schoen van Harderwijck,
En gintschen komt den Abt van groot auwert, en soo ick noch verder kijck
So komt de Veltweyffel, met zyn soetelaers, avonturiers, en Boeren,
Met nog een hope hagel-schut, van schelmsche Jonges en van Hoeren.
Ick gis dat myn Schepen hier haast wesen sullen, de wint is vlack int seyl.
Wel hoe ist hier dueghniet? ghy scherluyn wat doedy met die dweyl,
En met dese Turf-mant, dits immers geen geweer om te vechten.
Spreeckt op ghy groote Golyad, wat wildy daar me uytrechten?

Ian Neef. — Heer Overste! Heer Overste! Heer Overste! genade, geefdy my konsent
Dat ick sprecken mach? Roemer. — Ja ick, nu komt voort en secht al wat gy kent.

Ian. — Heer Overste! ick weet dat ghy bent kloeckmoedich en manhaftich,
Oock ken ick u strydtbaar volck voor so dapper en so kraftich,
Dat sy niet lievers soecken, dan te vechten of te slaan;
So docht ick dit oorloch kan sonder bloetstorten niet vergaen,
Siet daarom heb ick dese druemde dweil me genomen,
Om dat ick meen, dat sy in dese Krijgh wel te pas sal komen:
En tydt u Hoocheyt an ’t houwen, en an ’t kerven rechtschapen,
So sal ick in dese turfmant de spaenders en de stucken rapen.
Siet Heer Overste! daarom ist dat ick dus gewapent kom.

Kackerl. — Dat is groote voorsichticheydt! Roemer. — Wel Jan Neef ick hebje daer te liever om:
Hoe kom dat hier de andere niet by ons Esquadron vergaren?

Ian. — Wel hey wat andere? daer blyfter maer een t’huys om ’t huys te bewaren.

Roemer. — Hola swygt, en set ghy dit volck in oorden: ick gae hier achter an,
Wat uyt de paerden voeten: daer ick battalie van veers sien kan.
En past oock niet dat groote luy haer selven licht avontuuren;
En ick sal u van daer het teycken geven en bestuuren
Gelijck de schermmeester, hoe ghy sult drillen en spelen traf, traf,
Hoe ghy den storm aenbrengen sult ende hoe ghy sult wijcken af.

Kackerl. — Daer an sietmen u vromicheyt, maer u wijsheyt boven allen,
Dat ghy de plaatsen schuwt daer de slaeghen vallen.

Roemer. — So deed’ Pyrrhus, en so doen de Koningen altijdt,
Sy laten de Soldaten vechten en blijven selfs uyt de strijdt.

Fred. — Moyaal ghy siet immers wel wat dat hy gaet beginnen,
Dus sluyt u deur en vensters toe, so komt hy daar niet binnen,
Ghelijck als ick u riet, siet toe, ick secht eert wert te laat.

Moy. — Waarachtich siet daer, wat een wonderlijcken raat;
Wel hey ’tis mallicheyt, hier wil ick dol om worden.
Dat ghy meent, dat hy ’t denckt, wech wech ’tis maer een jorden,
Ten is geen man van harten, en siedy niet ’tis heel kints,
Ay Frederyck suft niet, al breekt hy nu wat wints.

Roemer. — Wat dunckt u Luytenant? Kackerl. — ’k wouw dat ghy een slinger had
Om so van veers te goyen met steenen na haar gat,
O bloedt hoe souwen sy schoyen!

Roemer. — Maar siet daar Moyaal in eygener persoon, en haer Pol daer beneven.

Kackerl. — Ick gis dat sy komt parlementeren, en datset wil opgheven,
Behouwen lyf en goet, met al wat dat sy inde werelt het.

Roemer. — Blyft ghy daar allegaar, hier dient wel voordachtich opgelet:
Want een wijs Mensch sal in aller dinghen gevaarlijckheden,
Den handel stellen in handen vande wijse reden;
En om waarheyt te segghen, daar wert meer te weegh ghebracht
Met verstandelijcke raat, als met gewelt en macht
Van wapene, en moghelijck of ick met verdrach van sinnen
Meer als met veel waters vuyl te maken sal winnen.

Kackerl. — Jemeny kinderen wat helptet! dat is een overvlieger int verstandt,
Voorseker wert dese man noch Advokaet van ’t heele Landt.
Ghy sult wel haast een groot meester werden, begin ick nu te vresen;
Maar wat ist oock een treffelijck dingh, so verhayt wijs te wesen?
Ja wel ’t is een kostelijck pant! gaat heen gy wijsheyt vande stadt.
Bloemharten! hoe hettet dat gecke-vaartje nu in zyn gat.

Roemer. — Wel wat isser? Kack. — Ick segh ’t goet by wijse luy te verkeeren
Gelijck als ghy! want daar kanmen wat of hooren en leeren.
Wildy nu het huys op eysschen met de Trompetter en de Trom?

Roemer. — Gheen Bood’ so goet als de Man selfs. Kackerl. — Dats waar: hoe ben ick toch so dom?

Roemer. — Moyaal antwoort my dit voor eerst en voor al op myn segghen:
Beloofde ghy gheen drie volslagen nachten in myn arm te legghen,
Doen ick u de Dochter gaf? Moy. — Wat meer? Roemer. — Hoe nae, weetjer niet of?
Dat waar sekers best: wat meer? ghy maacktent daar na noch so grof
Dat ghy u boelschap noch dorst brenghen voor myn ooghen,
Gantswonden het speet myn so besuckt, dat icket most gedooghen.

Moy. — Wat wildy daarmee seggen? Roemer. — En ghy gaeft hem heymlijck te verstaan
Wat ghy in ’t sin had, en bint stilswijgendt door gegaen.

Moy. — Dat was myn sin so: ick sal niet eens meer na u taalen.

Roemer. — Geeftme dan Katrijntje weer, of ick salse komen haalen!

Fred. — Sou sy haar u geven? ick ra u so vroom niet, o ghy gast,
Dat ghy haar eens een vingertjen of een hangtjen antast.

Kackerl. — Ha! wat seg gy? swijg gy! Fred. — wat wil gy hebben? Roemer. — sou ick na myn believen
Het myns niet antasten? Fred. — Het uws galligert? dats de gallich met de dieven!

Kackerl. — Het sal u buert werden, bengel! datje met myn Kornel dus geckt,
En siedy niet vuegel, tegen wat personaaje datje spreckt!

Fred. — Ick raat u, gaat van hier, met dit heromnes van u gesellen,
Of ick sal u, heet ick anders als ick heet, een sulcken stelletjen bestellen,
Datje om my sult dencken, en om dese plaats, en om desen dach
Als u leven langh. Kackerl. — Hoe voert dien hoddebeck daar de vlagh?

Fred. — En laeten u allegaer in’t Rasp-huys brenghen: want ghy verdientet,
Siet toe de Schouwt in myn Neef. Kackerl. — ’t Is goet datmen een honckt te vrient het.

Roemer. — Schout Melis is de quaatste niet. Kackerl. — ’t Is seecker een goedt Kalf.

Roemer. — Ick doe al wat ick wil, als ick hem slechs de handen salf.

Fred. — Wildy hier van daen gaan of niet, of sal ick gaan tyen
Om de geweldige Provoost? Kackerl. — Speciaal, ick heb met u melyen,
Dat ghy u van sulcken grooten Potentaat dus vyant maackt.

Fred. — Bent ghy so koen in u hart dat ghy haar int minsten anraakt:
Ick sweer u, ick sal u dat malle harsebecken an bricke brecken.

Kackerl. — Wel Lecker suldy tegen u overhooft sulcke sticke spreken?

Roemer. — Wel wat man bendy? wat wildy? wat hebdy uytstaan met haar?

Fred. — Hoort dan toe, ’t is, segh ick, een vrye Maaght. Roemer. — Maar is dat waar?

Fred. — Een burgers dochter uyt den Haagh! Roemer. — Seker is dat warachtich?

Fred. — En ’t is myn eyghen Suster! Roemer. — Ghy houten ansicht, ghy bent loghenachtich.

Fred. — Ick secht u Heer Hopman, ist dat ghy haar eenichsins mis-doet,
Ick salt voor haar verdedighen, met myn goet en met myn bloet.
Moyaal ick sal na Giertruy de Minne-moer gaen kuyeren,
En halen het hemt daerse inne Korstent is, met haar luyeren,
Met haer vierkante pille-gelt, met haar deken, flab en klet,
Met de luyer-mankt, en al de snorrepypen diese houwen het.

Roemer. — Past opmen hanghden jongen! ellementen kan ick u krijghen
Ick selje koeck geven: sult ghy my gebien te swygen?
Ick spreeck maar om het myns! ick eysch niet meer van huer.

Fred. — Ghy sultse niet hebben, gat-vinck, daer ben ick seker vuer,
En salder voor spreken alwaart datter noch duysent quamen.

Kackerl. — Hoordy niet Heerschip! dien rabbaut en Moyaal staan t’ samen
Ontbient haar voor Kommisarisen, gelijck als dat ’t behoort.

Roemer. — Moyaal is het so! Moy. — Soeckt elders yemandt die u antwoort.

Roemer. — Wel wat sullen wy nu doen? Kackerl. — Met oorlof, onder verbetering my Heeren,
Ick souw u raden, ons leger op te breken en na huys toe te keeren,
En danckender een deel af, en leggen de beste Soldaten in garnisoen,
’t Is haggelijck dat ghyse t’somer mooght hebben van doen
In belegeringh of slach, na rijpe deliberatie van Staten:
Want dan sal’t dapper op een schaap-scheeren gaan, so de luy ymmers praten:
En so ghy nu oftreckt, ick weet voorseker Eelleman,
Moyaal sal u van selfs naloopen, en halen an.

Roemer. — Meen ghy dat? Kackerl. — Wis; ick kan der Vrouwen aart en grillen
Sy willen niet als wy willen, en als wy wederom niet en willen
Dan willen sy van selfs. Roemer. — Kackerlack dat hebdy wel bedocht.

Kackerl. — Gelieftet u, myn Heer, dat ick doe blasen een gemeene af-tocht?

Roemer. — Blaast als ghy wilt. Kackerl. — Treck of ghy Krijslien, ghy hebt u wel gequeten,
Nu wacker als Helden, en tijdt als Mannen an ’t eten
Wel an ghy Jan Neef, tapt nu eens een kit, en suypt datje swiet,
En gheeft hem een lustige kleeter die hans hiet.

Ian. — Heer Luytenant! ick heb sulcken droocht, get ick sel do gieten,
Ick salder ten minsten een kinnetje of ses vaantjes in schieten.
Ick heb brangt in myn keel, en een gloeyende steen in myn Borst,
Singjoor Kackerlack ick heb so onnatuurlycken dorst!
Gants lyden myn buyck gort so, nu myn aren niet vol binnen,
Nu boerekicken myn darmen ofse rasende dol sinnen.
Ick leydender huye nochtent in een hachje van aarhalf ponckt!
Met moye ses Bier, het was soo frey gheluekert van passen nae myn monckt.
Het sulde duer myn gorregel, al haddet van een laydack geloopen
Wy sullen by get voor onse soudy (meen ick wel) geen lant gaen koopen.
O lyden! ick mach soo smullen. Kackerl. — Dat loof ick, in die Buyck mach wat in,
Gaet heen ghy goet slocker. Roemer. — Volcht myn allegaer na, dit gat in.

Kackerl. — Siet toe ghy Korporaal dat ghy lustich slempt en smetst.

Ian. — Also moer, al de nacht gevochten, twee doot en niemant gequetst.

        Eynde van het vierde bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 31 oktober 1997.