Een seekere Harts-tocht oft ontroeringe,
vvaer genomen uyt myn voelende gedachten,
rechts voor mijn Op-trecken met het Vaandel

G.A. Bredero




De Eeren-Ampten zijn wel wensch’lijck by de menschen,
Doch d’op-spraak acht ick meer als ’t geen de and’re wenschen:
Dies ballanst mijn gemoed, dat vast met Reden wickt,
Het geen een ander kloeckt; mijn moedich harte schrickt.
De glori daer elck een met moeyten om sou loopen,
Die soeck ick, laas! met schaamt, met anxst-sweet af te koopen.
Wel hoe Garbrande, hoe! waar is u sin? u wit?
Waer is dat stoute hart dat in u boesem zit?
Wat heeft u fiere moed soo moedeloos verslaghen?
Schroomt ghy met eeren hier de Prinše-Vaan te draghen?
Puft swavels licht geblick, en ’t bald’ren vande Roers,
’t Is sotte flauwigheyd; van bloodheyd werdmen boers.
Recht op dijn eerlijck hoofd, al mochtet yemand laacken:
Wie kan ’t Ian-alleman doch recht te passe maacken?