G.A. Bredero (1585-1618)

LIEDEKEN.

Stem: Esprits qui soupirez.

Wat onvertel’bre vreucht, en wat verwonderingen ,
Wat lieffelijck onthael, wat heughelijcker Feest
Mack komen onbewaant met een getuymel dringen
En ploffen plotslijck op mijn verdeelde geest?

O vriendelijcke vreucht van uytghenomen krachten!
Hoe sweefdy van myn Ziel tot in mijn harssen-pan,
Die ghy also beroert, dat ick met mijn gedachten
U niet begrypen, noch veel min uytdrucken kan.

Ach! d’oorsaek van mijn vreucht zijn u vergode sinnen
En u gebleyckt vernuft en hel versont gemoet,
Waer met ghy zijt gewent in wijsheyt te verwinnen
De oordeel-rijckste en de suyverste van bloet.

De klaarheyd van u geest en verstandelheden,
Die blincken in u werck gelijck een sonne-schijn,
O volheyt van mijn vreucht! O sonne vande reden!
Waer voor het klaerste licht schijnt duysternis te zijn.

Hoe dickwil sou mijn tong u grootte kennis loven,
Indien ick waer versien, godinne, na mijn wensch,
Maer waerdijen gaen de aertsche lof te boven,
Hoe veel te meer dan van mijn onvermogen mensch.

En dese schoone Ziel rust is so lieve leden,
Van omme-treck so net, so poeslich en so sacht,
Van goddelijck gesicht en so vol proper-heden,
Als immermeer de kunst sou toonen in haer kracht.

Te kunstigh heeft u hand mijn slechte stijl gepresen,
Dies ick met Hector spreeck (hoe-wel uyt soeten dwang)
Van geloofden gelooft ist loffelijck te wesen,
Maer ick heb anders niet als ick van u ontfang.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 24 december 1997.