G.A. Bredero (1585-1618)

LIEDT.

Stemme: Esprits qu souspriees, &c.

Als ’t oogh van mijn gemoed aendachtigh gaet aenschouwen
De wereld en de mensch die hier soo dwerligh sweeft,
So moet ick, en ick kan ’t, met reden staende houwen,
Dat in een stage dood het arme schepsel leeft.

Het arme schepsel leeft gestadigh in zijn sterven,
Grenst aen zijn laetste nacht, gaept na de laetste sucht,
En moet, eer hy dat denckt, het waen-schijn-leven derven,
Hoe mach ’t een leven zijn, dat schichtigh van ons vlucht?

Recht als ’t speel-siecke kind met pijpjes gaet op-blasen
Zijn bellen rond en hol tot inde dunne wind:
So is dit leven hier. Daerom ghy aerdsche dwasen,
Tast, grijpt en siet hier na wat dat ghy dan al vind!

Och arm! een groote Niet is al het smenschen leven,
Een schaduw en een droom, een vertooning, een spel,
Een schijn-ried, een onrust, een kruyce, daer beneven
Een heel onseecker ding, een doodelijck gequel.

De Werelt fraey vermomt, hoe schoon dat sy mach schynen,
En is niet anders als een dool-hof, een woestijn,
Een rasery, een kuyl, een pijnbanck om te pynen
Haer sotte Lievers, die noch in haer kercker zijn.

Al die door lust of dwangh haer dienen gaen of eeren,
Die haet die waarheyt eel en liefd’ de loghen snoot.
Die niet en mindt den Heer, den Heere alder Heeren,
En is die niet (o mensch!) een levendige doot?

Ghy die dit singht of leest, of die dit hoort verhalen,
Bedrieght u selven niet met dese ydelheyt,
Maer soo ghy hebt gedoolt, en wilt niet blijven dwalen
En soeckt den waren wech, die tot den leven leyt.

Christus die is de wech, de waerheyt en het leven,
Bidden wy onse God, zijn al-hulp-rijcke handt
Sal ons van alles veel en overvloedigh geven
Een blijf-soete vreughd in ’t eeuwigh Vaderlandt.

O opper-Prins en Heer, laet u genade stralen
Op u verloren zoon, op mijn bedroeft aenschijn,
Nae uwe goedtheyt groot, uyt medelyen dalen,
So sal ick door u dood in ’t ware leven zijn.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 16 december 1997.