G.A. Bredero (1585-1618)

LIEDT.

Op de Wyse: Belle qui m’ave blesse d’un traict. Ce doux, &c.

O Parl! en puyck der vrouwen!
En bloem van onse tijd!
Twee steden sijn om u in strijd,
Elck wil hier houwen
Den lof van uwe deucht,
Van u vermaertheyt en u jeught.

Drie en vier Griecksch steden,
Die streden oock aldus
Om de eere van Homerus,
Yder had syn reden
Dat hy wiert, bleef en quam;
Soo Hoorn heeft en Amsterdam.

Ghy Hoorn meught wel noemen
Als dat ghy heb gheteeld
Een wel besneden suyver beeld;
Wy sullen hier roemen
Door ’t heele Amstellandt
Van haer vermaert, verlicht verstandt.

Sappho door u ghedichten
En varsen vol vernuft
Sijn veel verwondert en versuft
En door u ghesichte
Ghy blixemt ende gheeft
Het vier daer in myn ziele leeft.

Wat soet sachte vlammen?
Wat walen van ghemoet?
Wat schielijck wandelen van bloet?
Wat lieffelijck vergrammen
Ontsetten myn ghedaent,
Als ghy my moeten onbewaent?

Te swack so sijn myn sinnen,
Of heb cik te veel stof
Om van u deught, om van u lof
En oock om myn minnen
Te uyten met bescheyt,
Soo schort mijn laes! welsprekentheyt.

Natuur heeft u ghegheven
Het beste dat ick weet;
Wilt ghy niet sijn vernaamd voor wreet?
Soo neemt, o mijn leven!
Al mijn bittere smart
Uyt mijn verteerd verliefde hart.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 24 december 1997.