G.A. Bredero (1585-1618)

Bewerking van de vijfde psalm.

Gedenc mijn siel uws scheppers krachtich,
Die al wat is eerst schiep uyt niet,
En door zijn woord als noch gebiet,
Troost u in hem hy sal waerachtich
U sijn gedachtich.

Verdraegt u leet en syt geduldigh
In kommer-kans of tegenspoet.
Erleght in al wat u ontmoet,
Dat uwe sonden menichvuldich,
Noch meer sijn schuldigh.

Mijn ziele wilt toch overwegen
De schoonheyt Gods, en 't groote goet
Dat hy gestadigh aen u doet.
En hoe ghy sijt (voor danck) daer teghen,
Tot quaet geneghen.

Ishet wonder dan dat Gods goetheden
Haer wenden van u boosheyt af,
En die beloont met straf op straf?
God haet de sonden, en qua zeden,
En dat met reden.

Nochtans al schijnt, dat hy zijn ooren
Voor u verstopt, en dickwijls dreyght,
Soo is sijn goetheyt, eer geneyght
Om u gebeden te verhooren
Als tot zijn tooren.

De Heer soeckt u niet te bedroeven
Met ballinghschap, met kruys en noot,
Met ouders, of met vrunden doot,
Met achterklap van snoode boeven,
Maer te beproeven.

Draeght gelijckmoedigh al u spoeden,
Want vanden Hemel komt ons af,
De bedel-nap, de Conincx staf,
De rijckdom en de arremoede
Yder ten goede.

Laet my o Heer! niet langer swerven
Met een gemoet dus ongerust,
En geeft mijn ziel geen hooger lust,
Als in mijn hert u te verwerven,
En wel te sterven.