G.A. Bredero (1585-1618)

AMOUREUS-LIEDT.

Op de Stemme: Psalm 23.

Bedaart en toeft
Mijn verbijsterde sinnen,
Hoe wel ghy proeft
Veel lijdens door dit Minnen,
U wel besint,
Weest verduldich int lyen.
Aanstaan verwint,
Soo ’t blijckt tot alle tyen,
Dus weest te vreen,
Wilt u tot hoope stellen,
Laat sorghen gheen
Noch pyne u meer quellen.

U starcke cracht,
O Minne, uwe zeeden
Verheert met macht
Mijn ted’re swacke leden.
Vernielt met pijn,
Door ’t groot ghebreck van lusten,
Can ’t ghedacht mijn
Nauwelijcx laaten rusten,
Soo dat mijn Ziel
Hier seer is mee becommert;
Met treuren hiel
Is mijn jonck hert beslommert.

T’sal aen mijn niet,
Maar lief aan Liefde schorten.
O Minne siet,
Wil toch u Minne storten
In myn liefs gront,
Op dat weer-liefd’ mach groeyen
Na t’recht verbont,
Laat reyne Minne bloeyen,
Soo sal myn hart
Veel beter syn te vreden,
So sal de smart
Oock lichter syn geleden.

Maar siet o Heer!
Het is veer vant verwerven,
T’schijnt nu wel eer
Dat ick haer nu sal derven.
Sy vliet, wanneer
Ick haar com te ontmoeten
Of vriend’lijck Eer,
En heusselijck wil groeten
Door ’t hart geneycht
Tot dienen en tot eeren,
Dus wantrou dreycht
Om metter yl te keeren.

Maar schrick of noot
Can mijn Liefd’ niet verkouwen,
De bleecke doot
Sal t’Lichaam eer behouwen
Int doncker graf
By de verrotten dooden.
Gheen wreetheyt straf,
Gheen soo ancxtighe nooden,
Gheen suur noch soet
Kan mijn Liefde vermind’ren,
Doch haar ghemoet
Dat kan my meest behind’ren.

’t Hart van mijn Vrouw,
Was eertijts vol medoogen,
En van mijn rou
Schreyden haar teere Ooghen,
Sy hiel mijn druck
In haar hartje met vreesen,
En myn geluck,
Scheen haar geluck te wesen,
Maar doch den tijdt
Die ’t alles kan verkeeren,
Verkeert in nijt
Haar lieffelijck begeeren.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 december 1997.