G.A. Bredero (1585-1618)

EEN LIEDT.

Op de Wijse: Het was een Rijck Burgers kint.

Ach strenghe Liefd ghy schijnt seer soet
En lieff’lijck in beginne,
Maar die u vind in teghespoet,
Die moet met smarte Minne,
Soo ghy aen my macht leeren,
Die door te seer begheeren
Van Liefde sterf,
Om dat ick derf
Mijn Lief soo menich werf.

Als ick des daachs verby haar gaa
En meen in Huys te snappen,
Een yghelijck die sit my naa,
Dies vrees ick dan voor ’t klappen,
Mijn opset met verand’ren
En ick gaa dan vast wand’ren,
Ja gins en weer,
Op ende neer,
Tot dat ick ’thuys waarts keer.

Wil ick des avens by haar gaen
Om met haar wat te spreecken,
Soo sie ick imant by haar staan
Of wert van die bekeeken,
’tDoet mijn wel heele nachten
In een stoep sitten wachten,
Ghekreuckt, ghekromt,
Wel dicht vermomt,
Tot dat dander uyt komt.

Als ick mijn eenigheyt streef,
In mijn bedroefde klachten,
Och t’is gheen leeven dat ick leef,
Maar swaare doot te achten,
Want mijn Liefgens afweesen
Doot mijn door duysent vreesen;
Dust t’herte raast
En denckt verbaest,
Een ander is de naest.

Wel opentlijck ick hier beken,
Dat cik haar niet kan laaten,
En als ick schoon al by haar ben,
’K en kan niet metter praaten,
Noyt kunst sy van myn hoorden,
Maar veel ghebrooken woorden,
Daer Liefde, siet,
’t Vernuft ghebiet,
Is de reden te niet.

Och Lief, hoe dick heb ick versocht
Mijn Minne te bedecken
Dus nam ick voor te doen een tocht
Om buyten t’Slans te trecken,
Doen ick de Zee aenschoude,
Terstont het mijn beroude,
Ick kreech berou,
Dat ick so sou
Verlaaten mijn Jonckvrou.

Als ick haer bruyne Oghen sie,
Soo moet ick mijn vergaapen
In haar soo schoone schoonheyt, die
Soo Heerlijck is gheschapen,
Die my niet kan verveelen5
Het ghesicht of het streelen
Van haar aenschijn.
Och wou sy mijn
Soo trou als ick haar syn.

En of ’t mijn schoon na wensche gingh,
Na langhe, trouwe proeve,
Dat sy my tot haer Lief ontfingh,
Een dingh sou ons bedroeven,
Want siet ons ghesintheyden
Syn int gheloof verscheyden.
Dit maeckt altijdt
Een harden strijdt,
Op ’t laast of haat en nijt.

Al wat de Heere heeft versien,
Kan gheen mensche beletten
En ist Goods wil, het sal gheschien,
Na schickingh syner wetten.
Wat wil ick mijn dan quellen?
’K sal mijn betrouwen stellen
Op God, diet al
Best schicken sal,
In allerley gheval.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 16 december 1997.