G.A. Bredero (1585-1618)

BRUYD-LOFS-GEDICHT.

TER EEREN NICOLAAS VAN SITTEREN ENDE HENDRICKJE PIETERS DR.

ONDERTROUWD OP 20 SEPTEMBER 1616.

Siet hier gesegent paar! siet hier vereende Menschen!
U alderhooghste staat, die ghy hebt konnen wenschen.
O ghy wel saligh paar! Heer Bruygom en Vrou Bruydt,
Die uwe vryery geluckelijck besluyt
En inde reyne Echt u willigh hebt gegeven,
Om inde vreese Gods eendrachtelijck te leven
In ware heylicheydt, Gods vruchtich en vreedsaem
Tot lof en pryse van Jehova groote naam.
    En denckt niet Jonge-lien, dat ghy uyt het bewegen
En neygingh uws natuurs die harts-tocht hebt gekreghen
Tot u vereenigingh: maer dat het is beleydt
Door d’Opper-Hemel-Voochts wyse voorsienicheydt,
Waer uyt d’Antreck’lijckheydt ( Lievers!) eerst ontspruyt
Dat d’Albestierder voert nae zijn behagen uyt.
    Heer Bruygom en Vrou Bruydt u zielen onderlingen
Die waren al gepaart, al eer sy Lijf ontfingen.
(O wonder schickingh Gods!) u jonst was voor den tijd,
U Houwlyck was gemaackt eer dat ghy hebt gevrijd.
Al eer ghy hebt gemint, waardy van Godt verkoren
Tot wettich Man en Wijf. Al eer ghy waart geboren
Met vleys en bloet gheformt dus uyterlijck van schijn,
Soo waardy dat ghy syt en sultet voortaen zijn:
Ghy Twee waart Een voor God, die doet u weer vereenen,
Nu ghy op aerden hier den ander zyt verschenen
In lijflijcke gedaent. Gelijck hy Adam heeft
Sijn Eva toegebracht, soo ist oock dat hy geeft
Het Christelijck getal haer Echt en Ee-genoten,
Na hy in zijn besluyt voorsienich heeft besloten.
Ghy saacht, Bruydegom! doen eerst u liefde viel
Op ’t lichaem niet soo seer als op de schoone ziel
Van u beminde Bruydt, die met soo hooge zeden
En sinnen is versien. Die met welsprekentheden
(Een Goddelijcke gaaf van helder klaar verstant)
Den yver heeft vernieuwt die in u was geplant.
Ghy loecht, ghy loecht haer toe: ghy sweemt in duysent vreughden,
Als ghy den Dool-hof saaght van haer waardige deughden:
Haar innicheyd tot God, haar liefde tot de Leer,
Haar lichaams voeglyckheyt, haar suyverheyt, haer Eer,
Haer goedicheyt des Geestes, haar recklyckheyt van sinnen,
Haar vroomheyt van gemoed, haar vriendelijck minnen
Haar lieffelijck gelaet, haer minnelijck gesicht,
Doen wiert ghy teenemael ten lichaam uytgelicht
En smolt met ziel en sin so heugelijck te samen,
Datmen geen onderscheyt in beyden en kost ramen.
Gelijck als d’eene vrundt den ander helsent groet,
Als hy hem onverwacht in vreemde landen moet:
Sy houden en sy sien en staaren op malkander
En staan gelijck gegroeyt (van vreughden) an den ander,
Vermits de oude jonst, voor wylen wel gehadt;
Al even en alleens soo waart ghy oock omvat,
Verwondert en verblydt door ’t luckich overkomen
Der zielen, want ghy stont gelijck als opgenomen.
    Gekroonde waarde Bruydt, verwonnen u niet meest
De groote gaven van u wyse Bruygoms Geest?
d’Oprechtheyt synes ziels, de krachten syner reden,
Sijn weselijck gelaet, syn rechte deeghlyckheden,
Sijn ongemene deughd, sijn kennis en syn raet,
In saken die de staat van zijn persoon aengaat?
Syn errenst in ’t geloof, die door een goe-gesintheyt
De blinden yver haat der menschelijcker blintheyt,
En waren dit niet meest de trecken, waar hy mee
U zieltjen in syn ziel volkomen komen dee?
    Of sloeght ghy meer dyn oogh op zijn volmaeckte leden
En wel gestelde jeucht en haar bequamicheden
Als op zijn edel hart? o neen! dat kant niet zijn,
U oordeel is te goet, ghy siet wel door de schijn:
Of wel zijn schoon gestalt des lichaams wort gepresen
Soo mach het voor zijn ziel doch niet gerekent wesen.
Wats lichaams schoonheyt doch? niet dan een yd’le roem!
Niet anders als een bel of als een fraeye bloem!
Die voor een korte tijd wel wat te wesen schynen,
Doch in een kleine wijl verdorren en verdwynen
    Of hebt ghy als het volck u sinlijckheyt gestelt
Wt woecker, niet van liefd’, maer van ’t vervloeckte gelt?
Dat hoop ick nimmermeer. Die om ’t gelts wil verkiesen
De ware rust en lust en ’t beste goet verliesen,
Hoewel het goet is goet, gebruicktment recht en wel.
Maer ’t misbruyck leyt de mensch gemeenlijck inde Hel.
    Wat vraagh ick te vergeefs? de Heere heet u lieden
Vereenight en verknocht en alst die wil gebieden,
Wie kan zijn wille en geboden wederstaen?
En wat syn Godheyd doet, is dat niet wel gedaen?
    Gaet aan Heer Bruydegom! de liefde die u beyden
Gekoppelt heeft an een, die blijft tot u verscheyden,
Met waare Jonst en min, woonachtigh in u Huys,
Op dat ghy met verdragh draaght d’een des anders kruys.
Indien zijn goedtheyt u dat immer mocht toestuuren,
Gedenckt het sal altoos niet eeuwelijcke duuren.
Verslaat u niet te seer so ou het ong’luck treft,
En in u voorspoet u niet sottelijck verheft,
Gelijck de menschen doen, die door Rijckdom van have
Haar hart trecken van God en bidden an zijn gaven,
En drijven groote pracht me tijdelijcke goet,
Het welck het Schepsel doch ter wereldt laten moet.
    Heer Bruygom en Vrou Bruydt, ick wil u voorts vertrouwen,
Hoe ghy u tegen een na Christus woord sult houwen:
Want soo ’ck my niet bedriegh, soo is u dat verstant
Door voorgangh, tucht en leer van kintsheyt ingeplant.
En of, dat niet en is, u yets noch waar ontbroken,
Dat is u t’achternoen door Gods Geest ingesproken
En andermaels vernieut door syn heyligh Gesant
Als ghy den ander gaaft u trouwe rechterhant.
Wilt die beloften en de Jonsten steets gedencken
Die u voor desen de’en u Trouw elck ander schencken.
Godt geef dat ick u gun en van herten wensch,
Soo salt u gaan so wel als eenigh levend mensch:
Ick wensch dat u de Heer gestadigh wil byblyven
En dat ghy met geluck u handelingh moocht dryven
En dat ghy meucht u lust aen an u kind’ren sien
En wat ghy meerder wenscht, Amen, dat moet geschien.
So ghy dit mede wenscht, Maeghden en Jongelingen,
Soo wilt nu al gelijck den Bruylofts-liedtje singen:
En verciert met u sangh ’t geselschap en de Feest
En toont met eerbaarheyt de blydschap van u Geest.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 3 januari 1998.