G.A. Bredero (1585-1618)

LIEDT.

Stemme: Ick heb de groene straten, &c.

Die sonder hoop moet minnen,
Die isser ellendich aan,
Die dwarlen al sijn sinnen
In Idelheyt en waan.

Ick spreeck, laas! uyt versoecken,
Want ick heb selfs versocht:
Dus mach ick wel vervloecken
Mijn dwaesheyt onbedocht.

Soumen wel sotheyd vinden.
Soo groot (helaes!) als mijn,
Die min en langh’ beminde
Die my niet eygen kan sijn?

Ick min en heb verkoren
Die ’ck met behaghen sach
En ick weet van te vooren,
Dat ickse niet krijghen en mach.

Nochtans voel ick myn drijven
Van seecker tocht tot haer,
De welcke my doet blijven
Een hoopeloos minnaar.

Want veel die my wel gunden,
Ten minsten inden schijn,
In plaats van waare vrunden,
Laa, myn vyanden zyn.

Daerom waart wel van nooden,
Dat ick myn doorheyt quaat
Met reden eens gingh dooden;
Maar ach! myn hert wat raat?

Geen dwang en kan afschricken
Mijn al verwonnen sin,
De lusten my verquicken
In mijn bespotte min.

Die wijslijck niet can delven
Syn sotten yver snood,
Die martelt, laes, sijn selven
Met een langsame dood.

Die hier sijn sinlijckheden
Den toom gheeft volle ruymt
Of die mint sonder reden


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 24 december 1997.