G.A. Bredero (1585-1618)

SONNET.

Indien ick waar Jupijn, ick sou me vrou verklaren
Voo Juno mijn Goddin, indien ick had ghewelt
Als Coningh van de Zee, mijn vrou sou zijn ghestelt
Als Thetis Coningin, bedwinghster van de baren.

Viel ’t aerdtrijck my te deel, ick sou met u my paren,
U maken Keyserin van ’s werelts weeldich velt,
Ghy, door u vlechten blont, soudt voor Goddin ghetelt
Zijn, rijdend op een Koets, verwondert van de scharen..

Maer laes, ick ben gheen Godt end’ Minnaer wesen kan,
Den Hemel t’uwen dienst alleen my ’t leven gan,
Al mijn gheluck dat hanght, mijn vrou, aen u ghenade.

Ghy zijt mijn goet, mijn quaet, ghy zijt het alles, dan,
Zoo ghy my weerliefd’ toont, daer leeft gheen blijder man,
’k Ben Coningh, selfs Jupijn, met rijckdom overladen.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 16 december 1997.