G.A. Bredero (1585-1618)

SONNET.

Het heylich vat der Goon, waar in dat sijn gesloten
De plagen en de straf van 't menschelijck geslacht,
Is, laas! voor mijn ontdeckt, geopent onverwacht,
Want 'k hebber al bereets veel smarten af genoten.

Mijn sinnen met geweldt die sijnder af gesloten,
Mijn leden af geknaaght tot op het kaele been,
Mijn Hert dat is vol viers en 't sendt sijn suchtjens heen
Met laster en met lof gestrengelt en doorschoten.

Helaas! mijn hart meent u, Pandora, schoon en wit,
U, die het dient en smeeckt en viert ende aenbidt,
Om eens van u getroost in al mijn pyn te wesen.

O Schoone! doet dan op, doet op het tweede vat,
Dat my verdrinckt en brant! doet op de waarde schat,
Daar al de Heyl in is, die my stracx kan genesen.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 16 december 1997.