g.A. Bredero (1585-1618)

SONNET.

Hoe wondert u mijn smart en moeyelijcke vlaghen,
Die ’t innerlijcke deel op ’t alderswaarste praamt
Met onvernoegen groot? ja grooter als ghy raamt,
Of als my moog’lijck is om immer uyt te claghen.

Wat mach myn jongh gemoet met meerder strafheyt plagen,
Als dat een ander hier dus wel ghesien versaamt?
Of datmen my, O druck! om mijn geringheyt schaamt?
Of dat ghy laes verheelt u minne voor u maaghen?

Dit raast en rammelt my ghestadich door het hooft,
So dat ick al gheheel van zinnen schijn berooft
En vat een Mooker swaar van droefheyt en van trueren.

Ist dat ghy, waarde Lief, na wensch hier in versiet,
Soo wart myn Hart ontlast van quellingh en verdriet,
Soo niet, het sal myn Ziel tot inde gront verstueren.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 24 december 1997.