G.A. Bredero (1585-1618)

SONNET.

Van dat Aurora vroeck den dacht begint te kippen
En toont haar Paarden woest met teughel en ghebit
En viert haer Standaart uyt, van Rosen root en wit,
De Torens schoon vernist en schittert op de Clippen,

Dan schijndy, O mijn Lief! my crachtich te ontslippen,
Wanneer ick waande meest te raaken int besit
Van Min, van lust. Mijn Hart, mijn Troost, wel hoe,
En cleefden ghy niet stracx u Lippen aen mijn Lippen?

Laas, ’tis gheswinde droom, nu ick het wel bekijck.
Wat is de layder Dach de Nacht al onghelijck,
Want ick en kon mijn vreucht ten vollen niet betoomen.

Vervormt my soo de schim van een vermeynde schijn?
O Goon, hoe zoet souw dan het eyghen wesen syn:
Vergunt my dat Juppijn, of laat my eeuwich droomen.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 24 december 1997.