G.A. Bredero (1585-1618)

SONNET.

Wel, wat beklaach ick my van mijn lichtvaerdicheden,
Om dat ick nu begheer ’t geen tegen d’Eere strijdt?
De Noot-wet wilt, ick voelt, dat mijn Lof voor een tijdt
De krachten van mijn wil moet uyt de wege treden.

Ick heb gebaent, geplant, gebouwt de lieve gronden
Van mijn begeerten en van al mijn wenschen soet:
Nu ist de Min haar ampt, dat sy die voot voldoet
Tot sulcken nut en endt, als ickse heb gevonden.

Ach Min! die in mijn geest bliest deze Lustjens sot,
Kort my het leven stracx of doet my door ’t genot
Van sijne Lieflijckheyt in volle blijtschap rysen:

So sal ick seggen, dat ghy alderbest regeert
De harten vande mensch en dat ghy so beheert,
Dat ick geen Godt so seer als u en weet te prysen.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 december 1997.