G.A. Bredero (1585-1618)

SONNET.

Op de Moorenlandtsche Historie.

Liefhebbers vande liefd’, Beminners vant beminnen,
Constrijcke geesten eel en lesers onversaet,
Comt leest dit boec met vlijt; bespeurt, merct en verstaet,
Hoe veel de liefd’ vermach in jeuchdelijcke sinnen.

Aenvaert dit boec met lust, ghy sult daer vinden binnen
Een reyne jonst en trou; met cloecheyt, list en raet;
Voorts hoe ’t wanckel geluc is sonder eynt of maet
En hoe een wijs mensch can zijn tegenspoet verwinnen.

Comt hier die uwen tijt soect loflijck te besteden,
Comt hier die garen leest een welboude reden,
Comt hier ghy sult de deucht met eer en vreuchde leeren,

Comt hier die lustich zijt te hooren vremde zeden,
Comt hier aanschouwt wat de taelmans lusten deden,
Comt hier Neerlandtsche jeucht en helpt my Kina eeren.

Gedrukt vr: De Beschryvinghe Heliodori vande Moorenlandtsch gheschiedenissen. Eerst int Griecx beschreven: Ende nu wt het Francoysche int Nederlandts vertaelt Door C. K(ina) (1610)


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 januari 1998.