G.A. Bredero (1585-1618)

VOOR-REDEN VANDE SOTHEYT.

(Proloog uitgesproken door de Zotheid)

Het volck, duncktmen, volght malkanderen start en start, ghelijck de paerden (hoy Os) vande Valckenburgsche marct, en dat haer lust voor u gelt te hebben en betiel met visch, met botter en mostert van mijn vermaecklijckheyt. Mar ick waerschuwje, datje wel bedroghen sult syn, indien ick wouw mijn seem-leere montjen openen met mijn buffels-leer verstant, ick souw niet mogen spreecken in een half uyr: Want wat souwt ghy dan doch goed Luyden al verwachten? Ick souwje raden om een kuyertjen te gaen aenden Overtoom, ende aldaer te vermaken ende eten een sootjen Span-Baers ende drincken mekaar een half bier toe uyt broederlijcke liefde. Wel aan! Een Advocaets spreeck woort: Laat ons beginnen te drincken en te spreecken. Waer van sullen wy’t hebben? Ick weet het niet. Voormy: Ick en ben niet gedistileert inde harsenen der inbeeldinge van Plato, noch inde wellustigheyt van Epicurus, noch in d’ondersoeckingen van Democritus. Nu hebb’ ick ghehoort van mijn Besjen, dat wy niet en sullen reppen van ’t ghene dat ons te hoogh is, ende dat een Smit van yser ende kolen moet praten. een Schoen-maker van syn leest, de Molenaar van syn molen, de Kock van syn koken, van syn sieden, van syn braden, van syn roosten ende van syn stoven, van sym smooren ende van al de dinghen, die de koocken aengaen. Maer aen wat eynd’ sullen wy beginnen? Ick en weet niet: Want vande Godtheyt en verstae ick niet, vande weet of wis-kunst immers soo weynich, vande wysheyt weet ick noch minder ende van al d’andere wetenschappen en weet ick oock niet, God danck! Want voor de Rechts-gheleertheyt (anders inde Rechten), u Labbekacken hebben daer meer in gheleert als ick: die moghen u daer wat af leeren: Sulcx dat ick niet waerdighs en kan voor uwe heerlijckheden, noch ick en weetje niet te prevelen van mijn daghelijcx doen, dat ghetuyght mijn kleet, ’t welck niet en ruyckt na de Philosophie, maer naer over-fyne ende klinck-klare Sotheyt, en so ghy u niet gewaerdight my te hooren van dese rijcke stoffe, ick geefje allegaer oorlof ende ick scheldje quyt voor de rest, maer nu ick jouw ooren soo open sien als een veurspraacx tas, ick sal u seggen een woort of twee, of meer: Wel aen dan, hout op je hant en sweertmen in heylicheyt ende oprechticheyt van gemoet: Meenje datje wyser bent als ick? soo ghy dat denckt, soo sydy ten eersten ghevangen in d’eerste Sotheyt (want de verwaenheyt is d’eerste lit vande dwaesheyt); hebdy niet ghelesen in Salomon ende anderen, dat het getal der Sotten oneyndelyck syn? ende dat de Menschelijck wysheyt is pure narrigheyt by de eeuwige wysheyt? Ay segt my eens, so ghy lust hebt my te betalen, wie begaet meer geckheyt, ick die u ophouw met mijn Mallicheytjes, of ghy met my te hooren? Die u woorden vent, of ghy diese koopt? Voor my, die mijn selfs kittel dat ick lach, of ghy om dat ghy lacht, als ghy siet lacchen? Ick vind dat ons verschil overeenkomst met het woord van de Romeynen: Senatus Populisque Romanorum: maer met vier voor-letteren, S.P.Q.R. of Stultus Populus querit Roma.
    Ist niet een groote sotheyt vande huyrlingen van dit geslacht, dat sy haer lijf ende ziel vermoorden om veel goets te vergaren met ongeoorlofde middelen? Om van dese werelt te dragen een ellendich slaeplaken? Ende laten als haer goet aen erfgenaemen, die meerder geest hebben dan sy; want sy brengen meer deur in een dach, alsmen haer souw kunnen toevoeren in een jaer. Is niet de selve sotheyt in de Coopman die daer handelt op zee, dat hy hasardeert syn leven ende welvaren in de spatie van twee dry vingereen van de doot, om te deurgraven de mynen van Peru, om hem te verrycken met een Metael, dan syn leven geen oogenlick souw konnen verlanghen? In Somma Sommarum, om te een eynde te komen: als de werelt is vol Sotten, en de ghy toehoorder, mijn Nichten en Neven.     Lacht wel.

Het rechte recht al vande kan
Is: drincket uyt en knoopet an.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 januari 1998.