G.A. Bredero (1585-1618)

AENDACHTIGH LIEDT.

Stemme: O nacht, jaloursche nacht, &c.

Ick sal u stucxgewijs nae ’t leven gaen afmalen
Dat heel seltsame dier, dat hier Ellick heet,
Het welck de groote mond van swerelds wyde palen
Op een gelijcke tijdt en oogenblick betreet.

Het veel hoofdige Elck is over al geboren,
Ellick leeft hier en daer, elck is verr’ ende hent,
Elck schuylt in ’t Nederlandt en by de swarte Moren,
En ellick wont in elck, maer ellick onbekent.

Elck slooft om schat en goud, elck jaegt na ’t goet archlistigh.
Elck heeft sich selfs lief, elck doen syn selfs leyt,
Elck strijdt met ellicken, elck is met elck twistigh,
Jae elck waenst hem wijs en elck is vol sotheydt.

Ellick snact veel van deughd en ellick werrickt sonden,
Ellick is averechts als elck van buyten veynst;
Elck heeft een goeden schijn en wordt vol quaets bevonden.
Ellicx tongh klapt het geen zijn herte niet en peynst.

Elck poght met zijn gebreck, vermetel en hoovaerdigh,
Elck is een ander wijs en meest zijn selven sot,
Elck acht hem schoon en groot en veel waerdyen waardigh,
Elck geckt met ellick en elck wert van elck bespot.

Elck loopt, elck vloeckt, elck smijt, elck doet veel quade dingen,
Elck maeckt van eere schand, elck soeckt van schande eer,
Elck is ontrou en licht en val veranderingen,
Dat elck huyden pryst, veracht hy morgen weer.

Elck mint het wereldts goet en haet Gods rijcke gaven,
Elck doet met lust het quaet en doet uyt vrees het goet,
Elck heeft zyn aerdsche hart in ’t tydelyck begraven
En ellick loopt de doodt onwetend’ te gemoet.

Ikc waerschuw’ Elck nu, dat willigh hy gaet derven
Dit aerdsche getuymel en zijn snoode sonden vuyl.
Och! Elck bidt en waeckt, gedenckt dat ghy moet sterven,
Beveelt u ziel den Heer en ’t lichaem hier den kuyl.

O groot en goede God! ghy die ’t al Kan verkeeren,
Vervormt Elcx gemoet en venieut Ellicx hert,
Wilt Ellick u gebo’on soo onderhouwen leeren,
Dat u heylighe naem van Elck gepresen wert.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 16 december 1997.