G.A. Bredero (1585-1618)

AMOUREUS-LIEDEKEN.

(Op de Voys van Susanna; ofte; Esprits qui souspirez.).

Ja mijn bedroefden geest cund ghy in vreuchd herscheppen,
Ach langh geliefde en mijn wel beminde Vrou;
Wanneer als ghy maar wilt de lieve oogjens reppen
En drayen die met jonst naar u Dienaar getrou.

So stuyft flucx inde wint mijn siecten en het suchten,
En snapt een troostbaar woort dan uyt u soete mont:
Den wissel van mijn staat doet mijn in twyffel duchten
Of ick dan ben de gheen, die ick noch was terstont.

Hoe meuchdy waarde Lief dat soete aanschijn wenden
Van my? die ghy hier door so wonderlijck vermaect
En keunt, wan ghy maar, wilt my doot of ’t leven senden,7
Na u t’erbarmen in u wreede sin gheraackt.

Wist ghy het vast op set of het besluyt mijns harten
In ’t leven van u eer en ’t minnen van u jeught:
De weer pijn van mijn druck sou u meelyd’lijck smarten
En gunnen om mijn trou my een veel blyder vreugd.

Meestres ist u een vreughd mijn pynelijcke quaalen,
Soo doet en leeft met my na u lust en ghebien,
Al sou ick tot myn doodt dus Hoofdeloos gaen maalen:
Maar des strengheyt Lief kan ick uyt u niet sien.

Wout ghy myn trouheyt eens met uwe gunst beloonen,
Ick leede met verdrach op hoop van ’t soet dit zuur,
Ick sou myn staticheyt, soo heel volmaeckt vertoonen
En leeven in ghenaa was u an ’t avontuur.

Weygert ghy mij de naam of ’tweesen van verwinner,
Vn hulp, van Vrient, van troost, van Lief, van hooft of Prins
Mijn blyft de tytel doch van een getrou beminner,8
U wreetheyt, tyt noch doot, ontvoert my die gheensins.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 16 december 1997.