G.A. Bredero (1585-1618)

AENDACHTIGH LIEDT.

Stem : Het was een jongher Heldt. Of de Lofsangh Maria.

Vintmen by oudt of jongh
Soo saligh wel een tongh,
Die Gods wond’ren kan spreken?
Ick hout voorseker neen,
Want kunst, woorden en reen,
Die souden eerst gebreken.

Hoe sou het slim en stof,
Heylighe Godt, u lof
En grootheydt dan verhalen?
Dat al de Eng’len schoon
En dienaers van u troon
In mogentheyt moet falen.

Wie sal u Majesteyt,
U groote waerdicheyt,
U eygenschap uytroemen?
U waerde borgery?
Als niemandt, wie ’t oock zy,
Sijn woordingh niet kan noemen.

Nochtans niet soo ick wensch,
Maer als een danckbaer mensch
Soo sal ick, Heere, boogen
U goetheyd en het goet,
Dat my van u gemoet
En dag’lijcx komt voor oogen.

Ghy hebt mijn lijf bereyt
In mijn moeders geweyt,
Daer toe een ziel gegeven
En onsichtbaer gevoet,
Als ghy nu sichtbaer doet
En doen sult al mijn leven.

Ick danck u Heer daer van,
Dat ghy my schiept een man
En brocht in tijdt en stede
Daermen u eer bewijst
En geen Afgoden prijst,
Gelijck de Heydens deden.

Slae ick mijn oogen op
Ten Hemel inden top,
U Son schittert van verre
Des daeghs, maer inde nacht
Soo drijft de Maen haer pracht
Met goud en silv’re Sterren.

En schou ick nederwaert
Op die vruchtbare aert,
Soo sie ick ’t meeste wonder
Van schepsels en van Vee,
Van monsteren der zee
En het gewas daer onder.

Dan barst ick dickwil uyt
En roep wel overluyt,
Dat my die dingen leeren
Niet slecht op haer te sien,
Maer dat ick met eerbien
Der wond’ren God moet eeren.

Ikc siet, o Heer, wel an,
Maer wat ist? ick en kan
Ten vollen niet vol-loven,
U goetheyt is soo klaer,
Soo hoogh, soo wonderbaer,
En mijn verstant te boven.

Want u weldaden al
Sijn talleloos van tal;
Ghy blijft die noch volharden
Aen een onwaerdigh mensch,
Maer goede Godt ick wensch,
Dat ickse waerdigh werde.

Geeft Heer dat mijn Gebedt
Geschiede sonder smet
Van onsuyvere sinnen
En vliegend’ woest gedacht,
En dat ick door u kracht
Mijn selven macht verwinnen.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 24 december 1997.