G.A. Bredero (1585-1618)

VOOR-REDEN VAN G. A. BREDEROOS GEESTICH LIEDT-BOECXKEN,

BY HEM SELVEN UYT-GHEGEVEN.

Lustighe en vrolijck-moedighe Maagden en Jonghelingen, die u geneuchte en vermakinge in soete tijtkortinge neemt: ic offere u Lieden op myne Blygeestige Kindertjes, om te leeren en tot uwen dienst te ghebruycken, het sy in vrolijcke Maaltyden, Gheselschappen, en Bruylofts-Feesten, of om voor u boertige vermakelijckheyt, want sy hebben voorseker een aartjen van my haar Vader, die wel eer een sonderlinge wellustigheyt uyt der Boeren ommegang haalde, welcker boertighe treckjes sy op het levendigste na spelen en spreken sullen, indien ghy haar niet steurt noch en verkort in haer eygenschap van uytspraac: de oude Aemsteldamsche en Waterlandsche Taal hebben sy so nagekomen als haar onse (doch te luttel) letteren toelieten. Veel ouwde en ghebruyckelijcke woorden der Landluyden hebben sy inne genomen, die sommige Latynisten (die doch eer en meer uytheemsch dna duytsch geleert hebben) veroordeelen en smadelijck verwerpen om dat syse juyst door onkunde niet en kennen: Maer ghy Toeters en Proef-Meesters van ons Goude Nederlandsch, die soo vrypostich de Hollandtsche woorden aen den Steen van u sinnelijckheyt strijckt en daar en boven stoutelick de selve voor ongoet, valsch of biljon verklaart, keurt ende marckt verbiet, om dattet by u niet gangbaer noch bekent en is, is het daeromme al in Reden gegront, datmen dat ouwde verschimmelde Pot-gelt en de vierkante stucken sal verachten? Daar men nochtans door oude lieden haar waardije en an haar swaarte en kracht hare deugt wel kan gissen, berekenen en kennen. Voor mijn deel ick bekent, dat ick dit nieuwe Leydsche gevoelen niet over een en kom, en dat ick met een kettersche stijf-sinnigheyt aan het ouwde hange, ja dat ben ick geen schroyer, geen Goudt-smit, noch Munt-meester, die ouwe Pot-penninghen met voordeel op soeck, om daar de eene tijt of d’ander yets goets na mijn behagen en vermogen af te maken. Het is mijn als goet als ’t hier-landsche onvervalschte onvermenghde munte is, als ick weet dat het by de ghemeene man in de dagelijcksch handeling en ommegangh gewraackt noch geweygert, maar by haer lieden voor goet gekent, en ontfangen wort: Het ismyn alleens, of ick van een machtich Coning of van een arm Bedelaer leer de kenisse van mijn moeders tale, en of de woorden uyt het vuylnis-vat of uyt de cierlijckste en grootste Schat-kamers van de werelt komen: doch moet my elck na haer waarde goude, silveren en koperen gelde verstrecken. Sekerlijck ick en sal my nimmermeer soo seer niet binden ande Eenrinstigheyt van sommige Een-sinnighe Schryvers, die meer der vreemdelingen boecken door-snoffelen, als de ghewoonte van ’t spreken haarder mede-Burgheren en Lands-luyden, doorsoeken, en op haar eyghen in-vallen en inbeeldingen oversettelijcke kercken bouwen, die dickwils nae wat onder-gravens lichtelijck daer henen storten en vallen. Wat my belangt, ick heb anders geen Boeck geleert als het Boeck des gebruycx, so ick dan door onwetenheydt der uytlandscher spraken, wetenschappen, en konsten hebbe gedoolt: verschoont my ongeleerde Leke-broeder, en geeft den Duytsche wat toe: want ick heb als een schilder, de schilder-achtige spreucke ghevolght, die daer seyt: Het zijn de beste Schilders die ’t leven naast komen, en niet de gene die voor een geestich dingh houden het stellen der standen buyten de nature, en het wringhen en buygen der geleden en ghebeenderen, die sy vaack te onredelick en buyten de loop des behoorlickheyts opschorten on ommecrommen. Ick hebbe soo veel als ick vermocht de boeterijen met de soetste Boere-woorden uyt gedruckt: het gene hier inne door versuymelheyt is mishandelt, over geslagen, ofte vergeten, wilt dat met u al-wetende geleertheyt, en ghewoonlijcke goedigheyt verbeteren, soo sult ghy alderbest betoonen

Dat hy is wijs en wel gheleert,
Die alle dingh ten besten keert.

Eenige Neus-wyse en nau-gesette Lieden, met een voor-oordeel inne ghenomen zijnde, sullen dese mijne Liedekens van lichtvaardigheyt beschuldigen, al eer sy de moeyten sullen doen van te ondersoecken waarom, waartoe, en hoe die ghmaackt zijn, swaarlijck sullen konnen gelooven, dat ick de sottigheden eeniger menschen met een lacchelijcke manier beschrijf, soetjes berisp en haer dwaling voor de oogen houw, straffe en andere waarschouwinge doe, om die dwaal-wegen bequamelick te vermyden. Veel dinghen heb ick op sijn boertsch gheset, die nochtans voor ettelijcke Ste-lieden haar Rekeninghe zijn, die ick, vermits ick haer sieckte, kranckheyt en schurfte kende, aldus heb moeten handelen, wetende dattet anders al te korresyvich, bitter en te scharp byten soude, en om dat het by velen niet qualijck genomen soude werden, gaan sy al vermomt onder boeren ghedaanten daer henen met veranderde namen en bekleedinge: De uytligginge hebben sommighe haar reuckeloos genoech onderwonden, maar mijns bedenckens noyt gevonden: Daar ick my in verblyde, want ick en en met eens anders schande niet verkuyst, en om de waerheyt te spreken, ick heb haest vyanden genoech, al en maeck icker geen meerder. Ick hebbe dese malligheytjes meer uyt lust als uyt laster verdicht, om in Bancketten, Gast-gheboden, Waart-schappen en andere uytspanningen des Gemoets, my, en mijne vrienden en vriendinnen wat te verlustigen, met de verwuickelijckhyet der Nieuwigheytjes, die ick voor dese van niemandt anders veel gesien hebbe; nochtans was ick noyt van sinne bekoort om dese grillige grilletjes door den druck ghemeen te maken, want my docht altoos datter wispelturigheyts en Drucx genoeg inde werelt was, maer yemandt van myn voortreffelijckste Vrunden (die daer meer wercx van maakten als ick selve) heeft die naarstich en schriftelijck bekomen, en met een heerlijcke en groote Voor-Reden vereert, en de naam van Geestich gegeven (oft het selve verdient, laet ick de verstandighe en die daar lust in hebben, oordeelen, voor mijn ick hebse altoos malle Liedekens geheeten) en zin by Govert Basson tot Leyden eerstmael gedruckt, die de selvige in een heel seltsame en ongelooflijcke kortheyt van tyt versonden en verkocht heeft, en is in sulcker voegen begeert gheweest, dat ick selver gheen exemplaer en heb mogen behouwen, om het de een of d’ander reys te doen herdrucken: Doch is het te tweedemale t’Amsterdam van eenige Gesellen, sonder mijn weten ghedruckt, met sommige on-eerlijcke en ontuchtighe Liedekens, die al om mijnen loopen, maer de eer die my daer mede geschiet is, en de danckbaerheyt die ick haar hier over schuldig ben, sal ick haar ter gelegentheyt met een vriendtschap vergelden, die haar heugen sal. Want waarlijck alle suyver-hertige en Edel-moedige menschen sullen sich voortaen wachten yets geneugelicx te laten uytgaan, nu de ongeoorloftheden soo groot zijn, datmen onder den deck-mantel van yemandt anders sijn vuyligheydt uyt-stroyen mach.

Ghy Rymers, en ghy brave Dicht-Schrijvers van dese frayigheytjes, ick bedanck u, en bidde u dat ghy voorder mijn wercken niet meerder met de uwe en vermenghelt, want ick ben te vreden dat ghy al mooght maken wat u lust, maar ick en begeer niet dat ghy mijn deuntjens an de uwe koppelt en kettingt, ick en sta niemandts oneere, en ick gunne u uyt goeder herten de lof die u toe komt: doch zijt ghy heel Eer-gierich, betoont u Edele Geest en klaarheyt van u verstant, en schrijft sulcke dinghen die alle menschen verschricken en ontsetten, en laat my by mijn soete sotternijen blyven, en besteet u medelyden en verkeerde bermhertigheydt aen yemandt anders Armoede, voor mijn, ick ben uwe hulp voor dese tijdt noch onbehoeftich (God danck) want ick laat my voorstaan (al luytet wat verwaandlijck) dat icker al heel veel meer van die slach sou konnen voortbrengen, als 't my eer genoech was, gelijck ick met eenighe nieuwetjes, hier in ghevoegt, bewesen hebbe: Maer wat is dit? ick praat hemel-val, ick springh van 't een of 't ander. Eerwaerde Maeghdekens, en lustige Jongelinghen, ick stuur u dit kleyne Voor-loopertje voor uyt, het welcke u komt waarschuwen dat ick u eer lang meene toe te eygenen een grooter Lied-boeck, genaemt Bron der Minne, waar inne ick het meesten-deel van alle mijn Jammertjes, Klachten, Lyden, en Vermakelijckheyt aanden dagh sal brengen, indien ghy dit naar uwe ouwde goetheyt in danck ontfangen en aanvaarden sult, daer ick niet aen twijffel, vermits ick daar nu tot tweemael toe, soo openbare proeven hebbe af ghesien: Op dit vertrouwen dan, soo wert u (O Sangerighe Keeltjes!) van gantsche gemoede toegeheylicht en toege-wijt, de meer dartele als treffelijcke Kinderen vande blyde geest van uwen alle

Eer, en dienst-schuldige Vrundt en Dienaar

G. A. BREDERO.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 3 januari 1998.