G.A. Bredero (1585-1618)

BRUYLOFTS-DICHT.

TER EEREN DANIEL VORSTENS ENDE CORNELIA MICHIELS.

ONDERTROUWD OP 27 MAART 1618.

T’Is Musen u bekendt, datmen sich niet kan gheven
Tot Dicht of Rymery, ten sy men wordt ghedreven
Van eenigh God of Geest, die ’s menschen hart en breyn
Optrecken van de snoo en aardsche dinghen kleyn
Tot hooger stoffen groots: Want anders is’t verkeertheyt.
Hoe wel gewoont en lust, met hulpe van geleertheyt,
Somtyts verrichten yet dat helder staet en bromt,
Soo ist de beste kunst die van den Hemel komt.
Daarom roep ick u aan, Dochters alle Negen!
Die tot u woonplaats hebt den dubbel-top gekregen,
Beweeght Apollo selfs, dat hy bestiert myn handt
En reynicht myn vernuft van ’t lompe onverstant,
Op dat ic mach met kracht en klaarheyt schoon beschryven
De dinghen die ick wensch in heugenis te blyven
Van eeuw tot eeuwicheyt. Want ick en kan niet soecken
De ouwde zielen uyt de aal versturven boecken.
Als de geleerde doen, dus komt my leeck te baat,
Die toch niet liever schrijft dan dat hy selfs verstaat.
Genade, ach wat kracht slaet in myn swacke ooghen!
Ick kan de blinckentheyt des Godtheyts niet ghedoogen,
Ick sie wat flonckerings van verre, ach het licht
Dat valt te schichtich om myn sterffelijck gesicht!
De onverwachte slach des donders en het blicken,
Verbasen my gheheel. [M.]??? Wat mach den suffert schricken,
Daar hy de hoochste wensch der bester nu geniet:
Dat’s dat hy’t heylich Choor der Hemel Vorsten siet,
Die uyt haer selfs beweegt tot goedheyt en tot deuchden,
Nu sacken nederwaerts om hondert duysent vreuchden
En vrolijckheden bly te menglen inde Wijn,
Die op de Bruylofts-Feest nu moet genutticht zyn.

[J.] Ick ben Jupijn, siet op! Mijn schencker komt u schincken
De soete Nectar, die de Goden sober drincken,
Dan nu ick selver kom, dat ick doch selden doe,
So brengh ick u al t’saem de Bruyts gesontheyt toe
En u Heer-Bruydegom geluck en wel te varen
Tot in den ouderdom van u ghewenschte Jaren.
Dit is de Bruylofts-Gaaf die ick u meen te doen:
Nu moet ick my on hoogh we’er naer den Hemel spoen.
Ick treck onsichtbaar heen: Mijn Dochter lief! komt nader,
En vuldt de plaatse van u eyghen Heer en Vader.

[P.] Zalige Jonge-Lien, die niet met wel-lust blindt
Maer die met Eer en Deucht u Echt met God begint,
Ick sal u van dees tijdt tot in u stramme grijsheyt
Begiften met een gift van onbesproken wijsheyt.
Onthout dit tot een les: lieft God in u gemoedt
En doet u naasten als ghy wil datmen u doet
En schuwt de eerste saak daar on-min mocht uyt rijsen
En wilt malcanderen jonst en vrientschap steets bewijsen,
So suldy sien u lust en alle dingh na wensch,
De Zegen van u Godt en liefde by den mensch.
Maer of het Avontuur u qualijc quam te slagen,
Ic sal de tegenspoet u leeren lijdtsaem dragen:
Neemt het ghelijck-gemoedt u Heyl en ongeluc
En maticht met bescheyt u blydschap en u druck
Want alles heeft zyn tydt en wilt g’ u daer na schicken,
So sult ghy niet te seer bedroeven noch verquicken
In’t tyttelyc geval, dat doch niet vast en staat,
Maar dat sich beurt-gewijs bequaam verschyven laat.
En soect ghy gantsch getroost in u voorval te wesen?
Soo mooght ghy Senecam zyn braven brieven lesen:
Daar vindy in van als, so wel van leyt als lust,
Hy wijst met Reden aan der zielen soetste rust.
Ick heb voor eerst volseyt en datter mach gebreken,
Sal ic y door de Tijdt met wijsheyt inne spreken.

[H.] Brandende Bruydegom, wie waant ghy dat ghy siet,
Ic ben de Bruylofts-Godt, wel kendy Hymen niet?
Dat gef my al te vreemt: En siedy niet het blaken
Van myne fackel heet? en siedy niet de daken
Met heugelycke vlam, van glans en gloor vervult?
Hoe stady dus en dut? het is u menscheyts schult,
Want vleesch noch bloed noch breyn dat wy niet selfs doen rypen
En kan de Godheyt noch zyn wesen niet begrijpen.
Siet! van myn klaarheyt nu de kamer blinct en blaackt.
Waar ic hier niet, Vrou Bruyt, de vreucht waer niet volmaect,
Ic sal u dese nacht en al de nachten schencken
So veel soetheyts en lusts, als ghy niet kunt bedencken
Dus gae ic na u bedt, waer ic u sal doen spr’en
Liefijcke Eenicheyt van Lichaem en van Le’en,
Van onbegryplijc goedt, van anders-ziel te suygen,
Waar van ghy morgen best sult kunne af getuygen.
Ic gae, want ginder komt de schoone Venus bly
Met haere lieve soon Cupido aan haar zy.

[V.] Lodd’rende Jonge-lien, die met verliefde sinnen
Bemantelt en bemopt u heymelijcke minne,
Staat op eerbiedelijc en haalt met heusheyt in
De Hemelsche Venus, de moeder vande min,
Die met haar groote schulp komt door het Ye swieren,
Om met haar aansien groots de Stacy te vercieren.
Hoe is de Jeught dus kouwt, (dat kan ic niet verstaan)
Dat sy myn te gemoet niet feestelijc en gaan?
Maar koele Bruydegom! die t’ansjens scheen te branden
Van ongemeende lust, als ghy soo water-tanden,
Hoe sydy nu soo traach, nu ghy myn hoocheyt siet,
Dat ghy myn niet meer eers noch wellekooms en biet?
Daar ick u heb de Bruyt, de lieve Bruyt gegeven,
En koom u leeren hoe dat ghy met haar sult leven
In alle vriend’lijcheyt en soetheyt onbesmet,
Op ’t onbesoedelt en gewenschte Bruylofts-bedt.
Ay slaat u oogen op. en siet de suyvre kycken,
Siet wat een zedicheyt laat sy op ’t voorhooft blijcken,
Met wat een staticheyt u waarde siet en pronct
En immers is heur borst wel levendich ontfonct.
O Go’on! wat is ’t een smart van binnen jonst te dragen
En daar’t de schaamt verbiet de noot eens uyt te clagen,
Ic hebbet selfs versocht. Strijt vromelijc Vrou-bruyt,
O Bruydegom! daar snapt een hartlijc suchjen uyt:
Ghy hebt geen ongelijc. Vrou-Bruyt nu eens gedroncken,
Want den benauden is de Wijn nodich geschoncken.
Die trec heb ic versiert, want brengdyt eensjes om,
So mooghdy vry en bly besien u Bruydegom,
Die lang ter sluyp wel sach u zyelincxse loncken,
So brandend’ als myn Smits vierige goude voncken.
Wel aan, ic gaan voort heen. Maar Daniel peurt wat aan
En bidt Cornelia, myn daadlijck na te gaan,
Want ic vrees, seyd’ ic hier de minnelijcke saken,
Ic sou misschien de Jeught belust of nydich maken
Van uwen Echten-stant. Wilt ghy my jonst aan doen,
Soo geeft uyt Venus naam u Na-gebuur een soen.
Vaart wel. [C.] Nu is ’t myn beurt. Ghy brave jongelingen,
Siet myn niet aan voor kints, ic doe geen kintsche dingen,
Al schijnt dit uyterlijc een kinderlijc geweer,
Ic vel hier me de Goon en stoute Reusen neer,
De Helden hooch gemoet, de Ridderlijcke borsten.
Dat weet den Bruydegom, myn slave Daniel Vorsten,
Die ic heb met een Pyl in ’t hart gheraect wel juyst,
Ic tem, ic breec, ic dwingh wat my komt voor de vuyst.
Maar hier koom ic met vreucht my by u neder voegen
Om nu met blyde lust u zieltjens te vernoegen.
Ay vriendelijc geslacht! O Venus borgery!
Myn Nichjes en myn Neefs van myn Vrou-moeders sy,
Weest vrolijc en verheught, wil kussen, stroocken, streelen
En Minne-deuntjes en lieffelijcke Liedjens queelen.
Bruydegom en Vrou-Bruyt, ghy lieden wert verwacht
Srlfs vande Bruylofts-Goon, van my en vande nacht.
Gespeeltjens wilt doch stracx de Bruyt te bedde leggen.
Nu Dichter ryst, ic gae: Segt kort dat ghy wilt seggen.
Gesegende Twee-Een, ic ben so opgenomen,
Door ’t schricken, dat ick niet kan tot wel-spreken komen,
De Goden hebben u, dunct my, genoech geseyt,
Nu schorter anders niet als myn genegentheyt.
    Vaart wel, vaart Eeuwig wel, met al datmen can wenschen,
Dat zalich is en nut voor alle goede Menschen,
Dat Kornelia van u mach werden voort gebracht,
Een soo deughdsaem en groot, een heerlijc braef Geslacht,
Dat ghy daar mede meught braveren alle Vrouwen,
Wanneer als sy u doen haer kostelijc tuygh aenschouwen
Gelijck de Dochter van de Roomsche Schypio deet.
Niet hooger voor dees tydt ic u te gunnen weet.
Dan dat ghy met een sleep van Vorsten en van Heeren
Hier op het marrect-veldt mooght comen aan brageeren,
Met jonge Vorsten hoogh en godlijck van gemoet,
Die niet verbastren, noch veraarden van haar bloet,
Maar die met Vorsten cunst haar weten te generen,
Haar selfs en ’t landt te nut en God en u ter eeren.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 3 januari 1998.