G.A. Bredero (1585-1618)

AMOUREUS LIED.

Op de Voys: Est ce Mars le grand Dieu des Allarmes.

Waer is nu dat hart? waer de gedachten?
Waer ’t gemoet?
Dat so Mannelijcke conde verachten
’s Weerelts goet,
Dat de Croon
En de Heerlijckheen
En de s’Cepters schoon
Sou trots vertreen

Dat Staten en Steden en Vorstendommen
En t’gewelt
En t’rammelen in Ridderlijcke somme
Van hart gelt,
Ja t’Cieraet
En ’s Aartrijcx hooghste pracht
Vaack heeft versmaet
En groots veracht?

Dat hart kan sich breydelen noch bedwingen
In sijn leet,
Dat soo grootmoedelijck alle dinghen
Eerst versmeet.
O verdriet!
O pijn! o quaal! o smart!
Ghy maalt tot niet
Dit groote Hart.

Dat alle hoocheden heeft versmeten
Inde Wint,
Dat kan lofhartich niet vergeten
’t Geen ’t bemint,
T’ is te sot!
En al te langh gevrijt
Die met my spot,
En deunt altijt.

Op wien sal ick meer wrocken en wrijten
Dan op mijn!
En sal ick het oock myn oogen wijten,
Of de schijn
Vande gunst
Die my wel is geschiet?
Ach! ’t was maer kunst
En anders niet.

Betoont nu de cloeckheyt van u sinnen,
O myn hart,
Int vermeesteren en verwinnen
Van u smart,
En volcht raat
Met vlaagjes wat vervreemt;
T’ en is so quaat
Niet als gij ’t meent.

Ach! het valt myn so swaer te verlaten
Myn Vriendin!
Al had ick oorsaeck om u te haeten,
Niet te min
O Joffrou!
Ick blijf in lust of noot
U toch getrou
Tot inder doodt.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 december 1997.