Woordenlijst bij "De Spaansche Brabander Jerlimo" G.A. Bredero (1585-1615)

A

Aalwaarich = nijdig.
Aars = ontdaan.
Aars noch aars = net, precies.
Achter uyt vaaren = zich door de achterdeur wegmaken.
Aelshuyden, van = in afval, van niets.
Aers = althans.
Afstaan = tot het einde doorstaan.
Afterste = levenseinde.
After uyt vaaren = uitknijpen.
Al = als.
Al eveliens = onverschillig, hetzelfde.
Al mee = alles ook.
Al properkens = ’t is nu mooi genoeg.
Al wast = als ware het.
Al wat dat = al wat iemand (krijgt) die (?)
Al weer-an = komaan!
Alfero = vaandrig.
Alles = allées, lanen.
Alliens = net.
Altans = thans.
Ammeraaltje = bolleboos.
Anders = tenminste.
Annenomen = geleerd.
Annimeeren = aanbevelen.
Ansicht = blik (van Jerolimo).
Arrebeyt = barensnood.
As ick begin, so heb ick noch niette daan = Als ik begin, hou ik voorlopig niet op.
As ick maar wel den orber schaf = Als ik er maat beter van wordt.
Ast is = waarachtig.
Avontueren = kansen.
Axci = rechten.

B

Baar, de = De Beer, naam van een kroeg.
Bakelaar = bittere laurierbessen.
Bancken = bunkeren, schransen, vreten.
Baren = aangaan.
Baren = tekeergaan.
Bayert-boeven = galeiboeven.
Bedruyf = bedroef.
Beduyt = uitlegt.
Beersteker = strontruimer (uit een toilet).
Behalven = om niet te spreken van.
Beklontert = bemodderd.
Bekommert = beleend.
Benier = manier.
Beroepen = laken, iets sterk afkeuren.
Bescheydenheyt = bevoegdheid.
Besettet = leg het vast.
Bescheyelijck = duidelijk.
Beschoyen = leveren.
Besieckt = van een zieke.
Besocht = ondervonden.
Beste geesten = gezelligste kameraden.
Beste-moeder = grootmoeder.
Besuckte = vervloekt
Blancket blauw = licht blauw.
Blauw hoeden en de klapmutsen, de = vemen van waagdragers.
Bobel = zeepbel.
Bom = bon d.i. vak.
Bonnet = muts.
Boogjes = kluisjes (gewelven) in de stadsmuur.
Borstel = bostel, afval van brouwerijen.
Bort = plank (om de levensgeesten tegen te houden).
Botten = vals spelen.
Brageeren = paraderen, pronken.
Bril toe = op haar neus.
Bulster = beddegoed.
Buys = dronken.
Bygheset = geleend.
Byster = armzalig.

C

Charlateren = opscheppen.
Ciepelken = uitje (kleine ui).

D

Dach (da’g) = dat.
Dagh = dat ge (vergissing voor ik?).
Dat = als.
Dat comt snel = begint dat nu al?
Dat ick schoon = als ik ook.
Dat komt met my niet over een = Daar ben ik het niet mee eens.
Dat’s hun recht = dat hebben ze verdiend.
Die levert ael uyt = daar komt wat voor de dag.
Dat liechter oock niet om = dat is niet mis.
Dat rijt sijn lappen = dat hakt er in.
De schort = waar het aan schortte.
Debocy = devotie, vroomheid.
Dele-wijn = fijne Rijnwijn.
Deur staan = achterwege blijven.
Die de rol dient = die voor de agenda zorgt.
Die half was in’t slot = die half dichtgeknepen was.
Diefjes-vaar = opkoper, heler.
Dogest = deugt.
Dreumelen = stoppen.
Droes = duivel.
Dromel = hoop.
Drooghen = drogerijen.
Draghen = stilletjes uitslaan, poepdozen/pispotten legen.
Duyts = Nederlands.
Duytsch = goedrond.
Dwaal = handdoek.
Dysen = zinken.

E

De tweede E door misverstand.
Eerlijck-hertigh = hooghartig.
Eelekaertjen = heilig hartje (vloek).
Egaert = alles bij elkaar.
Embder potschijter = vast scheldnaam (bedrieger?)
Eref beuren = erven.
Eriet = uitgerust.
Erinneren = binnendringen.
Even = net.

F

Fackseeren = vexeren, ergeren.
Feyl = dweil.
Flensen = knoeien.
Flep = halsdoek.
Ficksert = zeurkous.

G

Gaat me(e) deur = neemt nogal wat in je mond.
Gaater soo wat me deur = springt er willekeurig mee om
Galjart = dartel, speels.
Gantsch ackrementen = Gods sacrementen.
Gaudeeren en godderen = genieten en zich goddelijk voelen.
Gave Gods = pest.
Gedebaucheert = hier gulzig.
Gedoogsaamheyt = bereidwilligheid.
Geeft my voort de ruymt = houd mij niet meer op.
Geest = iemand, die weet te leven.
Gedaan = bezorgd.
Gelders troefjen = een kaartspel.
Gelockt = uitgelokt, uitgevraagd.
Geloos-panct, en ge-eygen-panct, en uytte wonnen met recht = Voorlopig en definitief gepand en uit zijn goed ontzet.
Geranckoolt = gerinkelrooid, slechte huizen (bordelen?) bezoeken.
Ghedolleert = geklaagd.
Gheduren = het uithouden.
Gheestigh = pittig.
Ghefingeert = gefixeeerd, vastgesteld.
Gheinteriseert = in je belangen geschaad.
Gheloof = krediet, vertrouwen.
Gherit = aanloop.
Gheschent = te schande gemaakt.
Ghesmeten = gezwaaid.
Ghesworen = vervloekt.
Ghetepel = gedrentel.
Gheweer = zijdgeweer, sabel, degen.
Gladde kaart = spel kaarten.
Goe-mannen = bijzitter van het gerecht.
Gorlegoy = schorremorrie,tuig.
Goy = God.
Graaf (grave) = ernstig.
Groen = geil.
Groen = gekkig.
Groot kadet = grote heer, sinjeur.
Gruys = stof.

H

Haasje koddette sluyta = onbekend gerecht.
Haast = snel.
Haastich = driftig.
Haghje = kluifje.
Hairtje = meisje.
Half vat = kuip.
Hart assen spijcker = uitgehongerd.
Heder tsegen = hebt gij er tegen.
Het gingmen anmen hert = het stond mij aan.
Het of sien = het uithouden.
Heur broeck by leggen = kunnen er niet tegen op.
Heyntje Pick = de duivel.
Hiel = tegenhield.
Hielt te raat = hield de boel bij elkaar.
Hier deur, jy moeter deur = kruip door, sluip door.
Hoe na = wat is dat?
Hoe selt hier daghen = Er staat wat te wachten.
Hommelingen = klaplopers, leeglopers.
Hondtslagher = de man die de honden wegjaagd.
Hoot = hoofd.
Houwt, jy sult jou hembde slepen = Buig niet te diep!
Hoyen = hoofden.
Hutselen = munten in de handen schudden en binnen een doel gooien.
Huyben = uil.
Huyck = mantel met een kap.
Hu= konkelaarsters, intrigantes.
Huyssitten = meesters van een armenhuis in Amsterdam..

I

Ick gheeft haar toe = ik gun het hun.
Ick prijsje = ’t is wat moois!
Ick had de lieve tijdt van = Ik had geen haast met.
Ick heb mijn gat welke schraapt = ik ben er kaal (bekaaid) van afgekomen.
Ick houwer men gec me = ik moet er niets van hebben..
Ick raa u eens so stouwt dat ghy hem an souwt raken contamitatie van: Ick raa u hem niet aan te raken en wees eens so stouwt dat enz.
Ick wil de kolf so rouckeloos niet werpen na de bal = Ik niet alles prijs geven
Iemands woort houden = hem voorspreken.
Ien pijntje = bijnaam (een pintje).
Immers = hoe het zij.
Immers = in elk geval.
In een stick = in zeker opzicht.
In Jaffa = onder de aarde.
In kennis leggen = aangeven.
Incarnatie = versregels die een jaartal uitdrukken.
Indient hem niet en dient = Als hij het niet wil houden.
Ingien = verstand.
Int kuyltje, of opschieten, of lechtmese daar = knikkerspelen.
Int proviste = à l'improviste, en passant, voor de vuist weg.

J

Jaers = aars, kont, achterwerk.
Jan hanghgat = de rest (aan zijn gat) bewaar ik.
Jasy = Jezus.
Jool = sul.
Jottoose = plompe.
Jottoon = Jutten, (strandjutters?)
Juyst te maken = te schikken.
Jy met u vyven = vijf zoals jij.

K

Kaack-haring = opschepper.
Kathuysers = uitspanning, pleisterplaats (voor rijtuigen).
Kauw-ghyse woordspeling met sausijzen.
Kay = zot.
Ke ne = 'k en heb.
Kee = hé.
Keeren = borstelen.
Kenschuldigh = schuldbewust.
Kerck- en staat-mare mishandelingen = overal besproken misdragingen.
Keur = wettelijke bepaling.
Klackoy = klappei, roddelaarster, kwaadspreektster.
Kladdekens = slonsjes, sloddervosjes.
Kladder = schuier.
Klaauwen = kooten, bikkelen (kinderspel).
Klet = jakje met korte mouwen.
Kleyn ghebient = klein gevogelte.
Klickers = muilen.
Klieveniers = Kloveniersdoelen (Gildehuis en oefenbaan van de schutters).
Klouwer = paai, vent.
Klouwers = die zich krabt.
Kluyver = snoeper, liefhebber.
Kneeteringh = tegenstribbelen.
Knoet = mof.
Koddenaer = die op een stok leunt.
Koele troever = oude snoeper.
Kommeren = commères, praatwijven.
Kompeer = goede vriend.
Komplexcy = bloedmenging, aard.
Konckebijnen = concubinen, maitresses.
Kooken = kaken.
Koontje = oorvijg, klap op de wang.
Kooren Mudden een huisnaam.
Kornel = kolonel.
Kornen = dwingen.
Kort-hielde = kort gehouden.
Kourasieus = fier, trots.
Kreegh het luyer an zijn gat = is is in de luren gelegd, is voor de gek gehouden..
Kromsteven = onbehouwen, ruw mens.
Kroo = kruisel.
Kuuryoost = zorgvuldigst.
Kuylenborgh en Vyanen = vrijsteden voor bankroetiers (Kuylenborgh is heet nu Culemborg).

L

Lachterlijck = schandelijk.
Lacker(kens) = bengel.
Laghenoot = drinkmakker.
Lebbighe = lelijke.
Lebbicheden = lelijks.
Lens = spie (van een schot).
Lepelstraat = buurt der lichte vrouwen.
Leyt een banckje = maakt bankroet.
Lid(t)sers = deugnieten, schelmen.
Lijdt en mijdt = laat het over je kant gaan.
Lijf-uyt = oude sukkel.
Linckermangt = smokkelmand.
Loopert = "marcheur", zwerver, vagebond.
Lootjen = penning voor de bedeling.
Luyckes = stiekemerd.

M

Maater = materie, zaak.
Macke moer minnelijck = begeerlijk meisje.
Mal passe = laag allooi.
Malkus = sukkel.
Markolfus = een slimme bedelaar uit een volksboek.
May = made? of drukfout voor kay (= zot, gek)?
Men sack = mijn ontslag.
Met die kaats ist achtien! Elck bidt hier voor zijn vrienden = Die is ook raak. Ieder houdt zijn hart vast voor de zijnen.
Met ghemack = kalmpjes aan.
Meyr = een plein.
Miester figuren uit Lazarillo de Tormes.
Mijt = een kleine koperen munt ter waarde van anderhalve penning (1,4 cent).
Mikanijck = vrekkig, bekrompen, kleingeestig.
Minage passeert, de = de zuinigheid gaat bovenal!
Minjert (minjoot) = bekoorlijk.
Misschien = wie weet.
Misselijck = onsmakelijk.
Moddetje = morslapje, servet.
Modest = keurig, bescheiden.
Moeschaatje = ventje, van het Spaanse muchacho.
Moet hebben = zich laten voorstaan.
Moeyten = tjd, gelegenheid.

N

Neerlaagh = doodslag.
Neers = aars, achterwerk, kont.
Negen = nee u.
Nerghens na = bij langena.
Nickers = duivelse.
Niet veel vande Koeckeeters houwen = Geen hoge dunk hebben van de Amsterdammers.
Ninne-nijptsche = van de slappe lip, met toespeling op mennonietsch (doopsgezinden).
Nu (nieuw) = dartel, wulps.
Nuw gheven = verwonderen

O

Of-smeeren = geselen.
Ofmacken = afkopen.
Oftouwen = afranselen.
Onbescheyden = zonder oordeel des onderscheids.
Onbruyck = schade.
Oneerlijckheyt = onfatsoenlijkheid.
Ongnaertighe = geducht.
Onser aller = die wij allemaal kennen.
Ontdeckt = uiteenzet.
Ontyghe = smerige.
Onverhindert = onaangeroerd.
Ontwispelt = ontglipt.
Oortje = duit (waarde 5/8 cent).
Oostersche = Duitse.
Ootmoedig = nederig, onderworpen (hier verkeerd gebruikt).
Op voordeel = bij voorbaat.
Opghenomen = in vervoering.
Oppebroocken = ingebroken.
Opperknecht = opperman.
Ossen-muyl = hoofdkaas.
Overgheslaghen = nagegaan.
Overgheven = onverbeterlijk.
Overmidts = doormidden.
Overtoom = uitspanning, pleisterplaats (voor rijtuigen).
Overwerpen = over de balk gooien, verspillen.

P

Paasen = peinzen, overdenken.
Pagadoor = betaalmeester.
Palleys vol Minnen, en Suyckerbosjes soet = titels van werken of toespraken tot vrouwen.
Par giert (een vloek)
Pars = pers.
Patriotten = burgers.
Peene = straf.
Phar-Heer (Pfarrer) = pastoor.
Pocken = syfilis (een geslachtsziekte).
Poot = kop.
Popelency = apoplexie, beroerte.
Pottery = boevenstreken.
Pourmaneeren = promeneren, wandelen.
Proper(tjes) = kalm aan.
Provoost = gerechtsbeambte..
Pypestelder = orgelbouwer.

Q

Quinckernel = vijf jaar uitstel.

R

Raar = zeldzaam.
Raasen = reizen.
Rabbauwery = streek.
Rabouw = boef.
Raken uyt = worden buitengebracht.
Rechtevoort = op ’t ogenblik.
Rechtvaerdich = billijkerwijs.
Regel kos = een wiskundige regel.
Rementen = opspelen.
Revelduytsch = Duits brabbelend.
Reyn = kostelijk.
Reyns = in de haak.
Rijcken = rijk maken.
Ritsen ande wijnt = maken dat je weg komt.
Ryen = trillen.
Ritsevelde = kreeg kippevel.
Robsodi = rhapsodie.
Roester = gaat er om.
Roffen = koppelen.
Rosenobel = Engelse gouden munt.
Rustich = royaal.

S

Saat = ging zitten.
Sack = lijf.
Sagelis = zaagsel.
Saggelaar = zeurpiet.
Santert = lievelingsknikker, schieter.
Schamel = arm.
Schappra = provisiekast.
Schat-brief = bewijs dat men bepaalde goeren voor schuld mag laten verkopen.
Schavoteeren = aan de kaak stellen.
Scheepe-kennis = schuldbekentenis voor schepenen opgemaakt.
Scheepen = stadsbestuurder.
Scheeren = spannen.
Scheetsch = schamper.
Scherluyn = schelm,deugniet
Schijt-valck = heertje.
Schort = bovenrok.
Schorteldoeck = schort.
Schoyer = bierslijter.
Schroef = voetstuk met schroef voor een wijnglas.
Schroyer = snoeier.
Schudden = schurken, boeven.
Seck = zware wijn.
Semers = zeker.
Sentency = vonnis.
Sergianten = dienders, agenten.
Serviteur = dienaar, bediende.
Seven-salmen = zeven boetpsalmen.
Sich = zie.
Sichtens = sinds.
Sienelayck = zichtbaar.
Slagen = knepen.
Slecht = eenvoudig.
Slecht en recht = eenvoudig.
Slecht-hoyen = domkoppen.
Slet = lap.
Slort = slons, vod.
Sluycker = smokkelaar, overspelpleger.
Smeerich = vet, goed betaald.
Smijten = slaan.
Smockkel = biersoort.
Snaar = schoondochter.
Snapperkoockt = mompelt.
Sneechjes = bij de hand.
Snobbeltje = snoesje.
Snoeyen = snoepen.
Snuyten = afzetten, oplichten.
Snuyver = snoever, opschepper.
Speck tot palm = onvervloed.
Speculeren = kijken toe.
Specy in manum (seud’ick) = ik laat mij niet bedriegen.
Splytemijt = halve mijt. (schraper, vrek).
Stadtskoocken = de woning van de concierge in het stadhuis, bewaarplaats van in beslag genomen goederen.
Stee-kijndt = vondeling.
Steeboon = stadboden.
Steen = de gevangenis.
Stekade = degen.
Stock = (schand)blok.
Stoof, schijt = twee manieren van liggen van de koot.
Streentje = strengetje.
Streumelen = bijeenhalen.
Streven assen vos = stappen als een vospaard.
Stroncktich = schunnig.
Stuck = reaal. (een munt)
Stuckedroch = stuk bedrieger.
Stulp = haardstolp.
Stuypen = buigen.
Sweem = bezwijmde, viel flauw.
Swijmt = zweemt.
Sy koockten hem een vijgh = Zij stoofde hem een kool, zij leverde hem een streek.
Sy verluyen daer op = zij worden steeds luier.
Sye-loos = onpartijdig.

T

Taflet = opschrijfleitje.
Taken = gappen.
Te meer niet = daarom niet meer, toch niet.
Te raadt houden = bewaren.
Te raan geven = te doen zetten.
Teesen = pluizen.
Teetighe = luizige.
Tellenaer = telganger.
Tgilpen = tjilpen, lollen, onzin uitkramen
Tijngjes = nieuwtjes.
Toegaan = toetasten.
Trararen = dansen.
Treusneus = beuzeling.
Troggel-sacken = zij, die met een grote zak lopen te bedelen..
Trouwe = waarachtig
t’Samen staan = samen delen.
T’sech = gelag, consumptie.
t’Sichtent = sinds.
’t Soch (tsoch, toch) = waarachtig
Tuysschen = dobbelen.

U

Uyt estreken = in de puntjes.
Uytleggen = inzetten.
Uytsuypen = uitzuigen.

V

Vaan = kan.
Vaars = armenvaders, bestuurders van een armenhuis.
Vaart = krijgt je beurt.
Van haar teem = van haat stuk
Veeringh = stier.
Van sessen = van zessen klaar, heeft vier goede benen en twee goede ogen (paard).
Vanje man = door je man (met een obscene toespeling).
Veem = gilde of broederschap van waagdragers inzake te Amsterdam.
Veer besyen = een heel eind weg.
Verbaast = verschrikt.
Verbranselde = vervloekte.
Vereerlijckt = meer aanzien gegeven.
Verevenhouten = met kegelen doorbrengen, verliezen.
Verguldt = versierd.
Verhalen = op zijn verhaal doen komen.
Vermayen = vermeien,.
Vernemen = informeren.
Venus-buurt = hoerenbuurt.
Verpracht = aan luxe uitgeven.
Verrecht = verprocedeerd.
Verschieter = iemand die het graan bewerkt.
Verset = verpand.
Versochtheyt = ervaring.
Versoorde = uitgedroogde.
Vertuyft = gewacht.
Vervechten = door vechten verbeuren.
Vervissen = aan vis uitgeven.
Vervorderen = verstouten, wagen.
Verweent = prachtig.
Verteren = peuteren.
Veughel = hoerenloper.
Vies = eigenaardig.
Vlacken barck-man = knikker met een plat kantje.
Vliegher = overkleed.
Voetje = dansje.
Volmaackt = afgemaakt.
Vong = vond.
Voontjens = papieren vlaggetjes voor processies.
Voor de kerck setten = voor verkoop beslag leggen.
Voorghekomen = belet.
Voorloop = kruiwagens.
Voorloopen = advies.
Voorspraack = advocaat.
Vrienden = familie.
Vroech mey te maken = vroeg verhuizen d.i. er vandoorgaan.
Vuller = voller, lakenmaker.
Vuyght = voegt.
Vuyser = smakker, sukkelaar.
Vydemis = vidimus, hier trekken.
Vyeryser = munt van 18 duiten (11 1/4 cent)

W

Waag = gebouw waar van overheidswege goederen worden gewogen.
Wa(e)ren = bewaren, beschermen.
Wangen = kauwen.
Wapen = alarm.
Waperkaack = snoeper.
Wat boeren datter zijn, worden sy medestander = Zij doen mee met iedere smokkelende boer..
Wat haast = waarom zou ik?
Wat helptet = om de waarheid te zeggen.
Wat sal jou gebreecken = wat mankeert je.
Wat schaat dat voor u = U hebt er niet veel bij te verliezen.
Watje mient = wel te verstaan.
Weersoordighe = ondragelijk.
Weetighe = nieuwsgierig.
Wegh = brood.
Wespen = gespuis.
Wint = hazewindhond.
Wijn brulle (brûlé) = brandewijn.
Wissel = ruil.

Z

Zemers = zeker.
Zijn broek bij iets leggen = er niet tegen op kunnen.
Zijn ayeren uyt-leyt = Het met anderen houdt.


Aantekeningen:

Het spel: Contant stelt het spel "plompen" voor, waarbij één speler de door beiden even of oneven knikkers op- of neergooit, vooraf radende of er een even of oneven aantal in een putje of hoed zal belanden. "Ick stuytje": ik houd tegen met mijn hoed. Joosje wil wel, maar alleen met een inzet van vier, raadt even, gooit en verliest.Om zijn schade in te halen, wil hij vervolgens om een inzet van acht elk spelen. Hij geeft ze aan Contant, waarschuwt dez niet met de hand te draaien, als hij ten minste zoveel knikkers kan hanteren. Contant moet nu ee oneven aantal inwerpen, maar verliest. Hij verdenkt Joosje een knikker te hebben weggemoffeld en stelt een ander spel voor: ieder vijf knikkers in een figuur op te zetten, waarop van een streep geschoten wordt. Wie begint te schieten gaat door totdat hij mist. Joosje vraagt: "Geef je mij de eerste beurt?" En als hij geen antwoord krijgt: "Ik geef je de eerste beurt en bovendien het recht op mij schieter (de knikker waarmee geschoten wordt) te schieten. Contant schiet nu achtereenvolgens alle knikkers er uit, en Joosje moet zijn schieter neerleggen , op een span (de afstand tussen de toppen van de pink en duim als men ze zo ver mogelijk spreidt.) van een bepaald punt. Contant schiet er van af de streep op, maar mist. Nu schiet Joosje en beweert raak te hebben geschoten en daardoor de knikkers terug te hebben gewonne. Contant erkent dat niet.

Trijn vindt wat Jerolimo vraagt wel wat slecht betaald met een liedje en vult dus haar "dats u ongheweyghert" ter zijde aan


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 15 november 1997