Woordenlijst bij "Het daghet uyt den Oosten" G.A. Bredero (1585-1618).

A

Achterklap = roddel, kwaadsprekerij.
Angelier = anjer.

B

Bedyen = bedekken.
Besprenghen = bestrooien.
Billick = redelijk.
Bors = beer.
Braeckt = wraakt.
Brood-droncken = overmoedig.
Breydeloos = tomeloos.

D

Dan = maar.
Dijn = jouw.
Droes = duivel.
Duystmael = duizend maal.
Dweyl = handdoek.

E

Eylacy = helaas.

F

Fenijn = vergif.
Flux = snel.

G

Garen = graag.
Geringh = schielijk, overhaast, plotseling.
Gewenten = gewoonten.
Gewisselijck = met zekerheid.
Ghelaet = houding.
Ghesmyde = sieraden.
Gicht = gift.

H

Heusheyt = oprechtheid.

J

Jonst = gunst.

K

Klaer = helder.
Kolder = maliŽnkolder.
Kuyfelen = voor de gek houden (kuyfel = deugniet)

L

Laes = wee, helaas.
Leemig = buigzaam.
Leyder = helaas.
Licht = gemakkelijk.
Loch en droch = leugen en bedrog.
Lovertje = versiersel in de vorm van een (gestyleerd) blad.

M

Maerte = dienstmaagd.
Meucken = vertederen.
Miente man = gemene man.
Missaeken = verlochenen, niet thuis verklaren.

O

Opdonderen = aan komen zetten.
Overbarsche = zeer ruwe.

P

Plicht = gewoonte.
Pluymstrijcken = vleierij.
Praelend = schitterend.

R

Ros = rood.

S

Schaerts = schriel.
Schermutsen = schermutselen.
Schichtich = schuw.
Schick = beschikking.
Schoorloos = onafgebroken(?)
Schreyen = huilen.
Schutten = geschut.
Serpenten = slangen.
Sinnelijck = denkend.
Sinnelijckheyd = zin, neiging.
Sloosjes = sleutelbloemen.
Soo lees sot?
Spinjoen = spaniel.
Spitvinnich = spitsvondig.
Staet-dochters = hofdames.
Swad’rich = zwierig.

T

Tafereelen = beschrijven.
Temteeren = in verzoeking brengen.
Tsus = tot ziens.

U

Uyt keursieck ghesicht = door kieskeurig gadeslaan.

V

Vee = gedierte.
Verbasen = verschrikken.
Verbooghen = zich beroemen op.
Vergeckte = verliefde.
Vermaledijt = vervloekt.
Versiert = verzonnen.
Versloryen = verslonzen, verwaarlozen.
Verwandelen = veranderen.
Vloock = uitstaand.
Vyolet = viool.

W

Wangelatich = wanstaltig.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 27 november 1997.