Woordenlijst bij "Emblemata" G.A. Bredero (1585-1618).

A

Alleens = hetzelfde.
Amphion = met zijn tweelingbroer Zethus zoon van Zeus en Antiope. Hij getrouwd met Niobe. Kreeg van Apollo of de muzen een lier waarop op hij zo mooit speelde, dat de stenen van muren van Thebe vanzelf op hun plaat kwamen.
Andromeda = dochter van de Etheopische koning Cepheus Haar moeder Cassiopea beweerde dat Andromeda mooier was als de NereÔden. Poseidon zond daarom een zeemonster om het land te verwoesten. Door opoffering van Andromeda kon het land bevrijd worden. Toen zij aan een rots was vastgeklonken en door het zeemonster bedreigt werd, werd zij door Perseus bevrijd en als zijn bruid  meegenomen, nadat hij op de bruiloft  Phineus, aan wie Andromeda eerst beloofd was, doodde met het Medusahoofd.
Ariadne = oorspronkelijk een Kretensische godin verwant aan Aphrodite. Later door een sage tot dochter van koning Minos en Pasiphae gemaakt. Zij redt haar minnaar Theseus uit het Labyrint met behulp van een kluwen garen. Theseus laat haar achter ook Naxus. Net voor zij zich in zee wil storten, wordt zij door Dionysus gevonden, die haar tot zijn bruid maakt. Zij wordt als volgelinge van Dionysus voorgesteld als rijdend op een olifant of panter.

B

Bacchus = andere naam voor Dionysus, god van de wijn en het uitbottende natuurleven.
Baeren = golven.
Bekouten = bepraten.
Bloode = enkele.
Blooden = beschaamde.
Bloot = bezitloos.
Bloot van ’t gewheer = de wapens getrokken.
Bult’naer = gebochelde, iemand met kyfose van de rug.

C

Caproen = hoofdeksel, kap.
Charon = stokoude, haveloos geklede veerman, die de schimmen van de overledenen voor een penning (obool) over de Styx zet naar het schimmenrijk.
Charybdis = eilandje tegenover Scylla, waar een draaikolk was. Men dacht deze als een reuzin die het water driemaal per dag inzoog en weer uitspuwde.
Claere = heldere.
Cupido = Romeinse naam voor Eros, de liefdesgod, ook wel Amor geheten.

D

Danae = dochter van Acrisius, moeder  van Perseus verwekt door Zeus. Hij daalde als gouden regen (hy is ook de god van de regen)  tot Danae, omdat zij in een ijzeren toren gevangen werd gehouden.
Deerlijck = jammerlijk, bedroevend.
Derwaerts = daarheen.
Dickwils = vaak.
Dido = dochter van een koning van Tyrus, zuster van Pygmalion, die als koning haar echtgnoot doodde. Vluchtte naar Afrika waar zij Carthago stichtte. Zijn kocht van koning Jarbas zoveel grond als een runderhuis kon bedekken. Doordat zij de huid in repen sneed kon zij een ruimte omspannen waarop zij de burcht van Carthago vestigde.
Diefte = diefstal.
Dreuts = bits, bars, spijtig.
Dryven = verdrijven.

E

Eel = edel.
Emblemata = zinnebeelden.

F

Fama = de faam, godin van het gerucht. Geen echt mythologisch figuur. Vergilius noemt haar een dochter van Tellus. Hij stelt haar voor met vleugels. Zij heeft even veel monden, ogen, oren en tongen als zij veren op haar lijf heeft.

G

Gedweegh = gehoorzaam
Gemeyn = algemeen.
Ghereetst, ’t = het eerste de beste.
Gram = boos.
Gramschap = boosheid, woede.

H

Haacken = verlangen.
Hero = priesteres van Aphodite in Sestus. Werd bemind door Leander uit Abydus  aan de overkant van de Hellespont. Hij zwom hem elke nacht over geleid door een licht door een door Hero ontstoken licht. Hij verdrinkt als het licht tijdens een stormachtige nacht uitwaait.
Heul = toevlucht, troost, hulp.
Hoepjen = hoepeltje.
Hyacinthus = een erg mooie jongeling. Geliefd door Apollo en Zephyrus. Werd door Apollo gedood bij het discuswerpen, ten gevolge van jaloersheid van Zephyrus. Hyacinthus werd toen in de naar hem genoemde bloem veranderd.

I

Icarus = vlucht uit het doolhof waar de Minotaurus leefde met zelfgemaakte vleugels van was en veren. In overmoet vloog hij te dicht bij de zon, waardoor de was smolt, waardoor Icarus neerstortte en in de zee verdronk.

J

Jonst = gunst.
Jupijn, Jupiter, Jovis = hoogste god bij de Romeinen. Zoon van Saturnus. Verwekt donder, bliksem, regen en zonneschijn. Later vereenzelvigd met Zeus.

K

Klapper = klikspaan.
Kloeck, Kloeckelijck  = dapper, moedig.
Knip = vogelval.

L

Laes = helaas.
Leander = minnaar van Hero.
Leck-wijn = wijn die uit een vat gelekt is en daardoor verschraald is.
Lisp = brouwend, de z, r en s gebrekkig uitspreken ten gevolge van een afwijking aan de tong.
Leckre = guitige, stoute.
Lonckaert = iemand, die scheel kijkt c.q. knipoogt.

M

Malkand’ren = elkaar.
Mars, Mavors = Oorspronkelijk een god van de lente. De maand maart is aan hem gewijd. Hij bestrijdt de winter, vandaar dat hij als god van de oorlog wordt beschouwt. Vader van Remus en Romelus en daardoor stamvader van de stad Rome. Wordt vereenzelvigd met de Griekse god Ares.
Me leyden = meenemen.
Medecijn = dokter, arts.
Merck’lijck = opmerkelijk.

N

Neptunus = Romeinse god van het stromende water. Later bepaaldelijk van de zee en ook van paarden en ruiters.
Neven = naast.
Nimph, Nymphelijn = onder- of halfgodinnen bij Grieken en Romeinen in de gedaante van mooie meisjes. Zij leefden duizenden jaren, maar waren niet onsterfelijk. Zijn beheersden en bezielden de voorwerpen van de natuur. Hun namen ontleenden zij aan die voorwerpen.
Nootdruft = toestan van gebrek aan de meest noodzakelijke behoeften.

O

Onghemeen = niet in gemeenschap.
Ontstaen = verlaten.
Ontvlieden = ontvluchten.
Onvernoechd = ontevreden.
Onwis = onzeker.
Oorket’lijck = de ooren strelend.
Oorsaeck = reden.
Opset = bedoeling.

P

Pallas = Pallas Athena, lievelingsdochter van Zeus. Godin van de wijsheid. Beschermster van kunsten, wetenschappen en handwerken (in zake de weefkunst).
Perickel = gevaar.
Perseus = zoon van Zeus en Danae. Held van Argos. Hij wordt opgevoed door koning Polydectes van Seriphus. Perseus wordt door hem uitgezonden om het hoofd van de Medusa te halen. Polydectes wil zich op die manier van Perseus ontdoen. Om niet door Medusa versteent te worden door haar blik, wend Perseus zijn hoofd af en haar in zijn spiegelend schild zag. Op de terugweg bevrijdde hij Andromeda.
PhaŽton = zoon van Helius, de zonnegod, en de oceanide Clymene. Kreeg een enkel dag toestemming om de zonnewagen te rijden, om zijn afkomst van de zon te kunnen bewijzen. Hij kon de paarden niet controleren, zodat de zon de aarde dreigde te verschroeien. Zeus doodde hem met een bliksemschicht en PhaŽton stortte in de Eridanus (de Po-rivier).
Poeet = dichter.
Pyramus = een knappe BabyloniŽr. Minnaar van de even mooie Thisbe. Hun ouders willen geen huwelijk toestaan. Ze spreken elkaar alleen door een spleet in de tussenmuur van beide woningen. Bij een afspraak buiten de stad moet Thisbe voor een leeuwin vluchten. Ze verliest hierbij haar sluier. De bebloede bek van deze leeuwin bevlekt de sluier. Pyramus denkt dat Thisbe door de leeuwin gedood is en pleegt zelfmoord onder een moerbeiboom, die sindsdien rode vruchten draagt. Thisbe pleegt naast Pyramus zelfmoord.

Q

Quaey = kwade.
Quetsen = verwonden.

R

Rasch = snel.|
Reckelijck = gedwee, toegevelijk.
Reden = praten.
Reuck = geheim.
Rugge deyst, te = terugdeinst.

S

Salmacis = bronnimf, die verliefd was op Hermaphroditus. Deze wilde haar ontvluchten. Toen zij hem omhelste versmolten hun lichaam tot ťťn, dubbelslachtig wezen.
Scheepen = scheep zijn, er vandoor gaan.
Schier = bijna.
Schoon = mooi.
Schooren = steunen, stutten,
Schrij-been = gespreid been.
Scylla = zeenimf, geliefde van Glaucus. Werd door Circe uit jaloerheid in een  monster met ze hondenkoppen, twaalf poten en drie rijen scherpe tanden veranderd. Woonde onder de gelijknamige rots van die naam tussen SiciliŽ en ItaliŽ, tegenover Charabdis.
Secreet = geheim.
Sim(me) = aap.
Slim = schuin, scheef.
Sneven = sneuvelen, sterven.
Snoo = snood, schander.
Snoode = misdadig.
Socrates = Griekse filosoof (469-399). Vader van de ethica en leer der begrippen
Somtijden = soms.
Sotterny = gekkigheid.
Stadich = voortdurend.
Staemlaer = stotteraar.
Straf = stijf.
Stranghen = stranden.
Stygis, Styx = rivier die als tak van de Oceaan de onderwereld negenmaal omvloeit en in haar loop de Cocytus (de Jammerstroom) opneemt. Een eed bij de wateren van de Styx (die doodelijk zijn) wordt zelfs door de goden zelfs heilig waren.

T

T’seffen = in ťťn keer.
Tempeest = storm.
Toom = teugel.
Toornich = kwaad, woedend.
Tijdt, desen = dit leven.

V

Venus = Romeinse godin van schoonheid en liefde.
Verdrooten = gekweld.
Vergaren = krijgen, verzamelen.
Verheeren = overmeesteren, verwoesten, verdelgen, overrompelen.
Verhoolen = verborgen.
Vermaert = beroemd.
Vermits = omdat, aangezien.
Vernoechen = vermaken.
Verschaelen = vervliegen.
Verschoonen = vergeven.
Verwandlen = veranderen.
Verwonnen = overwonnen.
Vlieden = vluchten, verdwijnen.
Voeglijck = gepast.
Voorwaer = zeker, nochtans, wel is waar.
Vroede = wijze.

W

Wassen = groeien.
Watersucht = ophoping van uit het bloed afgescheiden serum in het weefsel van de organen in in de holten van het lichaam.
Wedercomst = terugkeer.
Weecklijck = slap.
Weenen = huilen.
Wit = doel.
Wt = uit.

Z

Zethus = tweelingbrooer van Amphion.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 15 januari 1998.