Alleens = gelijck.
Bancketeeren = smullen, verkwistend leven.
Banen = effenen.
Besinnen = lief hebben.
Bevrunt van = verwant aan.
Beweenen = betreuren.
Boelen = in ontucht leven.
Bout = onbevreesd.
Brack = bedorven.
Brallert = schreeuwlelijk.
Breydelen = intomen, inbinden.
Bulster = beddengoed (inzake kussens en matras).
Buys = dronken.
Cerberus = de driekoppige hond, die de poort van de hel (Hades)
bewaakte. Hij liet alle doden binnen, maar liet geen enkele eruit.
Cloeckheyt = sterkte.
Cupido = Romeinse god van de liefde
Danae = dochter van Acrisius, moeder van Perseus verwekt door
Zeus. Hij daalde als gouden regen (hy is ook de god van de regen) tot
Danae, omdat zij in een ijzeren toren gevangen werd gehouden.
Dinger = iemand die minder biedt.
Doe(n) = toen.
Dolen = zwerven.
Doorluchtigh = aanzienlijk, achtbaar.
Droes = duivel.
Firmament = (vaste) sterrenhemel.
Gaer = samen.
Gantsch, gans = geheel, alle.
Gebendijen = zegenen, inwijden, heiligen.
Geloos-pant = waarvoor beslag is gelegd.
Geren = verlangen.
Geswind(e) = kwiek(e), vlug(ge).
Goedertier = barmhartigheid.
Goonsch = trots.
Graefrijck = grachtrijk.
Gramschap = toorn, boosheid.
Grimmelen = wriemelen, wemelen.
Haef = bezit.
Heus = wellevend.
Hippelen = huppelen.
Hoovaardy = trots, hoogmoedigheid.
Jonsten = gunsten.
Jupijn, Jupiter, Jovis =
hoogste god bij de Romeinen. Zoon van Saturnus. Verwekt donder, bliksem, regen en
zonneschijn. Later vereenzelvigd met Zeus.
Kijven = schreeuwen, tieren.
Kokedriele = krokodillen.
Kourtesane = hoer.
Kraeltjes = koralen.
Kranck = ziek.
Krits = kring, cirkel.
Laes = helaas.
Lantwinning, myn = wat ik aan u gewonnen had.
Legher-stee = bed.
Leyde droes = dolle drift.
Leyder = helaas.
Loer = botterik, lomperd.
Maeghen = familie.
Maeghschap = (bloed)verwantschap.
Mars, Mavors = Oorspronkelijk een god van de lente. De maand maart is
aan hem gewijd. Hij bestrijdt de winter, vandaar dat hij als god van de oorlog wordt
beschouwt. Vader van Remus en Romelus en daardoor stamvader van de stad Rome. Wordt
vereenzelvigd met de Griekse god Ares.Marteren = martelen.
Maxselloos = smetteloos, vlekkeloos.
Meugh = tegenzin.
Minnen = vrijen, lief hebben.
Neffens = naast.
Nesck = onnozel.
Neus-wyse = ingebeelde, verwaande.
Nimph = Naam van onder- en halfgodinnen bij de Grieken en Romeinen, in
de gedaante van mooie meisjes, die niet onsterfelijk waren, maar wel duizenden jaren
leefden Ze beheersten delen van de natuur en ontleenden hun naam aan dat deel, dat zij
beheersten.
Noest = ijverig.
Ootmoedigh = nederig.
Opsmocken = tooien, opsieren.
Overmits = omdat, daar.
Pallas Athene = de godin van wijsheid en kunsten.
Pluto = andere naam voor Hades, god van de onderwereld, schenker van
de rijkdom.
Pol = overspelige man.
Quinckeleren = met trillende keel zingen.
Quix = kwiek.
Reden = verstand.
Reuckeloos = roekeloos.
Roemer = groot wijnglas.
Saerte = tere, fragiele.
Schans = verdedigingswerk in de vorm van een vier-, vijf-, of
zeshoek.
Schier = bijna.
Schimmeren = schemeren.
Smoren = stikken.
Sneven = sneuvelen.
Snoot = boos, slecht.
Snorcker = pocher, zwetser, opschepper.
Sotternyen = dwaasheden, gekheden.
Spijsen = voeden.
Stadich = voortdurend.
Steelwys = stiekum.
Stelden haar ter zeet = zette zich neer.
Stout = dapper.
Swagery = aanverwantschap door huwelijk.
Swoort = vel.
Uytdrincken = leeg drinken.
Verbooch = roem.
Verdolen = (af)(ver)dwalen.
Verleemt = krachteloos gemaakt.
Venus = godin van de liefde.
Verpenen = straf, boete voor iets vragen.
Verscheyden = overleden.
Versmijten = verwerpen, verbeuren.
Versmoren = onderdrukken, verbergen.
Versoecken = proberen.
Voormaels = voorheen, vroeger.
Vrienden = verwanten.
Waardy = waarde, prijs.
Waen-wyze = ingebeelde, verwaande.
Warsch = afkerig.
Wassen = groeien.
Wenscht = gewoonte.
Wese-loos = ongemanierd.
Wichtigh = belangrijk.
Wt = uit.
Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 december 1997.