Woordenlijst bij de ’Voor en over de kamer. Lofdichten - Opdrachten’

G.A. Bredero (1585-1618)


A

Aecxter = ekster.
Ęsclapius = god van de geneeskunst. Zoon van Apollo en Coronis. Attributen zijn de om een staf gekronkelde slang en een hond aan zin voeten, die de waakzaamheid voorsteld.
Allegaer = allemaal.
Amphion = samen met zijn tweelingbroer Zethos zoon van Zeus en Anthiope. Gehuwd met Niope. Kreeg van de muzen of Apollo een gouden lier. Hij speelde hier zó mooi op, dat het bouwen van de muur van Thebe de stenen van zelf een muur vormde. In overdrachtelijke zin staat Amphion voor een bekwaam musicus.
Apollo = god van de akkerbouw, later van vergelding en genezing. Voorts ishij de god van de wijsheid, de zonnegod, de god van het licht (Phoebus) en beschermer van de kunsten, in het bijzonder de poėzie.
Aurora = godin van de dagenraad.

B

Backes = gezicht.
Bancen = smullen van.
Bar gheponst = leeg van beurs, geen geld bezitten.
Becans = bijna.
Beedel-brock = gebedeld stuk brood.
Beemd = veld.
Befreysemd = met doodschuim.
Begecken = voor de gek houden.
Begrijpen = aanpakken.
Beguygelen = misleiden.
Behoord = plicht, taak.
Bejouwen = bespotten.
Belachen = lachen over.
Belghen an (sich) = zich boos maken over.
Belul = begrip, besef.
Belul-loos = zonder begrip.
Bescheyt gheven = antwoorden.
Betiel = schotel.
Bewacht = bewaakt.
Boelen = overspelig, ontuchtig leven.
Boertery = scherts.
Bracen = waakzaam zijn.
Brallen = opscheppen.
Brassen = guzig en overdadig eten en drinken.
Breucken = ongerechtigheden.
Breydelen = intomen, bedwingen.
Broetsch = opschepperig.
Bruysen = schreeuwen, tieren.
Buys = dronken.

C

Chiron = wijze centauer, die op de berg Pelion woonde. Werd door Apollo en Artemis onderwezen en was op zijn beurt leermeester van Jason Achilles en andere helden.
Claar = helder.
Cloec =dapper.
Copperen = nachtbraken.

D

D(a)(e)dalus = mytisch uitvinder, beeldhouwer, technicus en uitvinder. Bouwde op Kreta voor Minos het Labyrint, waar de Minotaurus verbleef. Hij werd ook in het Labyrint gezet, omdat hij Ariadne de draad gaf om Theseus te redden, samen met Minos’ zoon Icarus. Hij vlucht door middel van zelfgemaakte vleugels met Icarus. De laatste komt te dicht bij de zon en verongelukte. Dędalus landde veilig te Cunę.
Deernis = medelijden.
Dewyl = omdat, daar.
Dickwils = vaak.
Dief-achtich = steels, geniepig.
Diepe-Land = verre land (Spanje)
Dijn = uw.
Docken = betalen.
Doen = toen.
Doolen = zwerven, dwalen
Doris = dochter van Oceanus en Tethys, vrouw van Nereus en moeder van de Nereļden.
Dorperheyt = onnozelheid, onbeschaamdheid.
Dozijn-werck = onbeduidend werk.
Drieschen = dreigen.
Drost = schout, baljuw.
Dry = drie.
Dy = uw.

E

Eglantier(tje) = wilde roos.
Eyndel-vaers = refrein????

F

Feylen = fouten.
Fiel = schurk, boef.
Flucx = snel.
Fnuycken = kortwieken, verijdelen.

G

Gaaren = gaarne, graag.
Gantsch = geheel
Geest = levenslust.
Gekooren = verkozen.
Ghemeen = algemeen, normaal.
Gherack = het nodige.
Ghy sult dit op een ander houwen = u zal een ander hierop aanzien.
Gnocken = danken
Godsvrucht = vroomheid, godsdienstigheid.
Gramschap = boosheid.
Gruysig = morsig.

H

Haaf = bezit.
Hasarderen = op het spel zetten, in de waagschaal stellen.
Haveloos = zonder bezit.
Hencker = beul.
Heulen = kussen, zoenen.
Heylichje = heiligenbeeld.
Hovaardye = hoogmoed, trotsheid.
Huysmorsen = knoeien.

I

Immers = althans.
Innicheden = inkeer.

J

Jock = scherts, grap.
Jonnen = gunnen.
Jonst(en) = gunst(en).
Juno = oud Italische licht- of maangodin, vrouw van Jupiter, dochter van Saturnus en Rhea. Gelijkgesteld aan Hera. Koningin der geden en beschermster van het Romeinse Rijk. Beschermster van de geboorte, het huiselijk leven en het huwelijk. De maand juni is aan haar opgedragen
Jupijn, Jupiter = hoogste god bij de Romeinen. Zoon van Saturnus. Verwekt donder, bliksem, regen en zonneschijn. Later vereenzelvigd met Zeus.

K

Kallen = praten.
Keuninghje = Het koningspel op Driekoningen.
Kloeck-hartigh = dapper.
Kloeckaart = intelligent persoon.
Knevelen = geld afpersen, uitzuigen.
Koeter-waal = iemand, die slecht of onverstaanbaar spreekt. Eigenlijk een Waal die slecht Nederlands spreekt.
Kosgie = kost.
Krackeelen = ruzie maken.
Kreyts = cirkel, loopbaan van een hemellichaam.
Krijch = strijd, oorlog.
Kroes = bars, stuurs, wreed.
Kuyertjen = wandelingetje.
Kyven = ruzie maken.

L

Laacen = afkeuren, berispen.
Laar = opgezet.
Laas = helaas, jammer.
Labbekack = babbelaar.
Labbig = praatgraag.
Laes = helaas.
Laghen = listen.
Lantingeboren = autochtoon.
Lasteren = beschimpen, uitschelden.
Latona, Leto = de vrouw van Zeus vóór Hera, en de moeder van de tweeling Apollo en Artemis.
Leempt = gebrek, leemte.
Leyder = helaas.
Loos = geslepen, doortrapt.
Lorsen = lenen.
Louter = zuiver.
Lust = opwekking.

M

Maagschap = familie(band).
Maalder = kunstschilder
Malkanderen = elkaar.
Mangel = gebrek.
Mercurius = Romeinsche god van de handel en winst, vriend van de reizenden, en voorįl de kooplieden.
Met een slinger = in de gauwigheid.
Mitsgaders = alsmede, alsook.
Moes-kopper = straatrover.
Mooren-lantschen = Mauretaanse, Etheopische.
Morsebel = slordige, vuile vrouw.
Mosch = Moscoviet, Rus.

N

Na = hiernamaals.
Naact = eenvoudig,
Nechtigh = vlijtig.
Neske = dwaze, onnozele.
Neus-wijs = ingebeeld,verwaand.
Nodig = onmisbaar.

O

Om vaemen = omvatten.
Onderwinden = wagen, durven, iets moeilijks ondernemen.
Ontar’nde = losgetornde.
Onthiet = bevel.
Onrustich = ongerust.
Ontsien = wachten.
Oorlof = verlof, vergunning.
Ootmoed = nederigheid.
Ouwe Manne-Vaers = regenten (bestuurders) van het oude mannenhuis.

P

Paf-sack = dik mens.
Pallas = Pallas Athena, lievelingsdochter van Zeus. Godin van de wijsheid. Beschermster van kunsten, wetenschappen en handwerken (in zake de weefkunst).
Pan = veld-, herder- en bosgod, zoon van Hermes. Hield zich vooral op in de bossen van Arcadiė. Vondt de pan- of herdersfluit uit. Heeft bokkenpoten, baard, horens en ruige haren. Vervolgde met niet aflatende geilheid de nimfen. Door zijn geschreeuw jaagde hij reizigers de stuipen op het lijf (vandaar paniek).
Perijckel = gevaar.
Phaėton = zoon van Helius, de zonnegod, en de oceanide Clymene. Kreeg een enkel dag toestemming om de zonnewagen te rijden, om zijn afkomst van de zon te kunnen bewijzen. Hij kon de paarden niet controleren, zodat de zon de aarde dreigde te verschroeien. Zeus doodde hem met een bliksemschicht en Phaėton stortte in de Eridanus (de Po-rivier).
Plompaart = lomperd
Pluymstrijckery = vleierij.
Pracher = vleier, schraper, vrek.
Pracherye = vleierij.
Prevelen = mompelen, onaandachtig bidden.
Protheus = zeegod, die op het eiland Pharus de robben weidde voor Poseidon. Hij kende de toekomst en kon zich o.a. in water en vuur veranderen om te ontsnappen aan degenen, die hem wilden ondervragen.
Puyck = bloem, het beste.

Q

Quinckelleeren = vrolijk zingen.

R

Rabblen = stamelen, zwetsen.
Reden = praten, spreken.
Reden-kavelingh = redenering, gedachtenwisseling, bewijsreden.
Rederijcker = beoefenaar van de retorica (= welsprekendheid).
Reuckeloos = roekeloos.
Revelen = suffen, mijmeren, onzin uitkramen.
Revier = landouw, goed bewaterd land dat geschikt is voor landbouw.
Rondeel = Klinkdicht bestaand uit 13 versregels van 10 lettergrepen, waavan de negende en det dertiende het eerste helft van de eerste regel bij wijze van refrein herhalen.

S

Samen rotten = met oproerige of kwade bedoelingen samenscholen.
Sarp = zuur, wrang.
Saturnus = Oude Etruskisch-Romeinse god van het landleven en de landbouw. Door zijn zoon Jupiter van zijn troon gestoten. Zijn feesten (Saturnalia) werden van 7 tot 23 december gevierd. Vereenzelvigd met Chronos.
Schalcke = schalkse, guitige, ondeugende.
Scharen = menigten.
Schelm = schurk, bedrieger.
Schelmerij = schurkenstreek, bedriegerij.
Schemp = hoon, beledegende spot.
Schempen = schelden.
Schend’lijck = schandelijk.
Schendig = lasterlijk, schandelijk.
Schielijck = plotseling.
Schier = bijna.
Schoen-minck = schoenlapper.
Schotsch = lomp, ruw; scheef, verkeerd.
Schrabben = krabben.
Schrollen = grommen, smalen.
Schulp = schelp, hoorn.
Sieden = (laten) koken.
Sirenen = demonische wezens, verwant met de harpijen. Bekend van Homerus, die vertelde dat zij zich in bloemrijke velden ophielden op een rotsachtig eiland. Betoverden met hun gezang allen die voorbij het eiland voeren, zodat ze schipbreuk leden. De Argonauten ontsnapten door het mooiere gezang van Orpheus. Toen Odysseus hier voorbij voer, had hij op raad van Circe zijn oren met was gedicht en zich aan de mast van zijn schip laten binden. De Sirenen wierpen zich toen uit wanhoop in zee en werden in rotsen veranderd.
Slampamper = zuiper, leegloper.
Slemper = gulzige eter en drinker.
Slof = achtloos, nalatig.
Smetsen = vreten.
Smooren = met weinig vet en vocht in een gesloten pan gaar laten worden.
Snoot = slecht, boos, kwaadaardig.
Somwijls = misschien, nu en dan.
Soo ghyer niet voor sijt = zo u het niet belet.
Sot = gek.
Sotternyen = gekkigheden.
Span-Baers = kleine baars.
Spatie = ruimte.
Spring-ader = ondergronds waterbron.
Staag = aanhoudend, gedurig.
Staatwaardig = een rang waardig.
Stoysch = stoļcus, koelbloedig iemand.
Straatmaar = roddel.
Susterlingh = neef, nicht.
Swalpen = onpasselijk worden.
Swoort = korst.

T

Taal-man = vertaler, tolk.
Tacen = stelen.
Tavernier = herbergier.
Tong(h)e = taal.
Toom = teugel.
Triton = zoon van Poseidon, de zeegod, en Amphitrite, woont in de zee. Hij is van onder vis en van boven mens. Berijdt, al blazend op een hoorn, de onstuimige golven om deze te bedaren.
Troggel-sack = bedelzak.

U

Uranus = Oudste beheerser van het heelal. Echtgenoot van Gaea, de aarde. Hij verwekte bij haar de Titanen, Cyclopen en Centimanen. Uit vrees onttroont te worden sloot hij zijn kinderen in de Tartarus op. Cronos (Saturnus) stootte hem na aanmoediging door Gaea van de troon.
Uytstulpen = uitwerpen.

V

Vanghden = opzocht.
Verhoolen = verborgen.
Verkeert als = andersom als.
Verlampt = verminkt.
Vermaart = beroemd.
Vermast = te zwaar geladen.
Vernuwen = herdenken.
Versluymen = verslempen, verslampampen, verdoen.
Versmetsen = verkwisten, verspillen.
Verstaen = begrijpen.
Veurspraacx = advocaat.
Vierschaar = rechtbank.
Voechen = passen, betamen.
Voor hem = in zijn voordeel.
Voormaels = eertijds, voorheen.
Voornemen = vooringenomen standpunt.
Voorspraak = verdediger, advocaat.
Vranckeryck = Frankrijk.
Vroet = wijs, verstandig.
Vulcaan, Vulcanus = god van het vuur, de bewerking van metalen. Als Mulciber ook beschermer tegen brand.

W

Waardy = waarde, prijs.
Wederwaardicheyt = tegenspoed, ramp.
Wichtigher = belangrijke(r).
Wraack-goet = afgekeurd goed.
Wt = uit.
Wyl = poosje.


Aantekeningen:

Jan de Voor-looper = Jan haantje de voorste (Dr. Jan Fonteyn).

’t Verlooren Schaep, klucht van Fonteyn, ook door Tengnagel gehekeld.

Derde half, naar zijn tarief?

Schijt Koster, schijt Brero, een Koe is een groot Biest. Zinspeling op de Klucht van de Koe.

Stoffeeren met aers-wissen. Aan het Varkenssluis was een openbaar toilet.

Bataviersche Stadt = Dordrecht.

Dees dry mael drie = de negen Musen.

Die Vorstelijcke stadt = de stad Rome.


Ingezonden door : J.R. van Wijk, 12 januari 1998.