Woordenlijst: Lucelle — G.A. Brederode

A

Aal-oude = stokoude
Aanbijt = ontbijt.
Aardich = welgemanierd, beleefd.
Aars = althans.
Aasem halen (haar) = uitblazen
Aaterling = onecht kind.
Acht maal seven Jaar in Sprockel darden dagh = 3 februari (15?)56.
Achter lande = door het land.
d’Achtertocht bewaren = in de achterhoede blijven
Afgement = uitgesloofd.
Afkeerde = t.w. zijn hart van de neiging het paard te bestijgen
After of = achteraf.
Al = als.
Al ’t = alles.
Al doe ick my al los = Al ontrijg ik mij.
Aldernootste = allerminste.
Alle daan = al gedaan.
Altoos = altijd.
Alven = spotten.
Anbeelt = aambeeld.
d’Arme = Prometheus, (er staat d’arme darm)
Ast is = zoo is het.
Aveshans = met de handrug.
Avontuur (staan) = gevaar (lopen).
Ay Japickje, gaat van mijn, hartje, of ick vijst een pruyme stien = Komische uitroep van schrik.
Ayeren = vuil? of kinderen? (dt ayeren een fout zou zijn voor kyeren is om het rijm niet aanneemlijk.

B

Balderen = lawaai maken.
Baren = aangaan.
Bederven = met uw verderf bekoopen.
Bedoven = zo dat men bedolven wordt.
Bekalt = bepraat.
Bekalden = klonken.
Beklipt = overrompeld.
Bekollen = betoveren.
Beneffens dien = Daar naast.
Beneven = naast.
Bequaam in haar geleen = behoorlijk in het gelid.
Bequamer = voeglijker, gepaster,
Bequelen = betreuren.
Beroeping = berisping.
Bescheydenheydt = Oordeelkundigheid.
Besicht = bekijkt.
Besleepen = ervaren.
Bestaan = staande blijven, niet in ’t niet vallen.
Besteken = opzetten.
Bestellen = overleveren.
Bestemoer = overgrootmoeder.
Beswijcken = in de steek laten.
Betreuren = boeten.
Beusling = leugen.
Bevelen = opdragen.
Bevelen = op het hart drukken.
Bewaren = bezorgen.
Bewarpjes = plannen.
Beyd = wacht, toeft.
Bickter op= sla.er op.
Bles = dwaas, gek.
Bocken = bokking.
Boerten = grappen maken.
Boeve-jacht = boevenpak.
Boogaart = boomgaard.
Bortelen = woeden.
Brande graaf mouweris = naam van een dans, in de vorm brandemoris vaak schertsend gebruikt voor brandewijn. In het volgende komen in navolging van het Frans, tal van woordspelingen en verwisselingen voor, gebaseerd op namen van dansen en van schotels. Namen van dansen zijn: vossendans, Almangie, galliaarde, sinckepas, Bergomaske, maskerade, capriolen, grimassen, quaterbranckt (quaterbrande), lavagotte (la gavotte).
Brandemooris = brandewijn.
Breet = zo dat u een brede doorgang laat.
Bremmen = toeroepen
Brieven = papieren, aanspraken.
Broets = zot, gek.
Bronsten = brieste.
Bruysen = uitspatten.
Buyckje vol zielen = dikbuik.
Buyten reden = onredelijk.
By = hierdoor.

C

Casteleyn = kasteelheer.
Charybdis = draaikolk in de Straat van Messina.

D

Daar houw ick mijn geck me = daar moet ik niets van hebben.
Daar me(e) = aanstonds, dadelijk.
Dan kat men kat op kat = Dan werpt men het ene aardwerk boven het ander op.
Dan doch = maar evenwel.
Deerlijck = jammerlijk, bedroevend.
Deucht = weldaad.
Deunen = spotten.
Deur staan = begaan.
Deylen = schenken.
Dick achter jou oor = dom.
Dickmaals = vaak.
Die ’t wist = als je ’t maar weet
Die of noch an en kan = Die niet te bewegen is.
Diessack = diefzak, geheime zak.
Diets maken = wijsmaken, op de mouw spelden
Doen = geven.
Doet = maakt.
Doet u niet te kort = benadeel uw gezondheid niet.
Dolen = uitzinnig zijn.
Doopjes = sausen.
Dorper = laag, eerloos.
Dreuts = bits, bars.
Driegen = dreigen.
Drieschen = trotseren
Droes = duivel.
Droopjes = jus (vleessappen)
Dul = dol, razend.
Duyvel er staat duyve

E

Ecchel-dier = bloedzuiger.
Eenrins = eigenzinnig.
Eieren uitleggen (zijn) = kinderen verwekken buiten het huwelijk.
Elinck = edeling, edelman.
Ellen = el (= 69 cm).
Endeling = om te eindigen.
Ende nop = enden-op (een bijnaam?)
Erlegt = overlegt.
Eungers = boze geesten.

F

Fenijn = vergif.
Flucksche = snelle.
Freseny = razernij.
Frobentomie = anatomie(?)

G

Gaaroes = geheel (van het Duitse garaus)
Gasthuys = herberg.
Gauw = handig, glad.
Gebien = aanbieden.
Gebreydelt = in toom gehouden.
Gecken = spotten.
Geeft u te vreen = kom tot kalmte.
Gefesteert = feestelijk onthaalt.
Gehadt = gehouden.
Gehenckt = terecht gesteld.
Gehouwen (in) = verplicht (aan).
Gejont = gegund.
Gelaat = manieren.
Gelu = geelzucht.
Geminde ding, het : Lees - ’tbest geminde?
Gemoet = gezind.
Gereckelijck onthaal = geriefelijke bediening.
Gesicht = blik.
Geschockt = geschrokt.
Geschoren = gespannen.
Gesien = aangenaam.
Gesondert = bijzonder gemaakt
Gesprengd = met bloed besprenkeld.
Gesten = manieren.
Geuse gaar = helemaal gaar.
Gevaar = kameraad, vriend.
Gevexeert = bedreven.
Gewach = melding.
Gewisse = gemoed.
Gigromance = necromancie.
Goed bullebacx = op goede voet met de bullebak, bullebaksgezind.
Goeden dach hofstee = maak geen smoesjes.
Goetdunckend = verwaand.
Graven = graveren, krassen.
Graviteytse = ernstige.
Grimmer = pruiler, sacherijn.
Groen = verliefd.
Grof gaan = de bloemetjes buiten zetten.
Grondgat (dat) = het fijne van de zaak.
Gul = overvloedig.
Guychel-spel = ijdel vertoon.

H

Hals-heer = bezitter van het halsrecht (voltrekking van de doodstraf).
Halven en heelen = n.l. kannen.
Harst = lendenstuk (van een rund).
Hazaards = gevaren.
Hebdy eenige……kunst of wetenschap = bent u tot iets in staat of weet u nog ergens van
Heeft = te vergelijken is.
Hencker = beul.
Het = heeft.
Het is noch al verloren = Het helpt toch niets.
Het is ommekomen = wij zijn verloren.
Het sy dan een van twee = wat van beiden dan ook.
Hield = hieuw, hakte.
Hoe na = wat nu?
Hoochdragend = hooghartig.
Hoovaardich = ijdel, verwaand.
Hoven = feestvieren.
Hoven = hun hof houden.

I

Immers = in elk geval.
In mijn gat = in mijzelf.
Inbinden = de strijd beginnen.
Innenemen = waarnemen.
Is om een luchje = is een luchtje gaan scheppen, is afwezig.

J

Jente = sierlijke.
Jocchen = soep.
Jocken = schertsen.
Jonst = gunst.

K

Kaalis = schooier, zwerver.
Kammen = hanekammen?
Kappoen = gecastreerde haan.
Keyseroen = de kei?
Kinnebacken = een klap op de kaak geven.
Klappernyen = gebabbel, geklets.
Klare spiegels = de ogen.
Kleunen = slaan, kloppen.
Kleynsen = ziften, zeven.
Klincksnoer = om de deur te openen, de hele uitdrukking is een grappige uitbreiding van klop so niet meer.
Kloe(c)ken = dapperen.
Kloeck = dapper.
Kluyt = klucht, comedie.
Knecht = jongmens.
Kopper = feest?
Koren = overgeven (d.w.z. braken).
Kort = schielijk
Kortelas = korte, brede sabel
Kost = zou kunnen.
Kouten = praten, kletsen.
Kranck = zwak.
Kroes = vurig, wild.
Kuwen = eig. kieuwen, maar gevoeld als verwant met kauwen.

L

Laat hyse nemen waar, niemant sal daar op mercken = Laat hij op haar loeren, niemand zal er op letten.
Landtdrost = baljuw, hoofdschout
Lapsalvery = kwakzalverij.
Lastrolagie = astrologie.
Lecker = jongen, troetelpop.
Leen = leden.
Lemmen = zeuren.
Lempten = (geslachts)ziekten)
Lepelsucht = hongerziekte.
Leur = man van niets.
Levens tijdt = eeuw.
Liechter niet om = is de moeite waard.
Lodderlijk = verliefde, wellustig.
Loer = (gunstige) gelegenheid.
Loeren = er in laten lopen (door veel te eten voor zijn geld).
Lof-hartich = prijsenswaardig.
Loot = 1/2 ons.
Lusica = muziekkunde.
Lyden = bekennen.
Lymstang lopen (met de) = slepend, temerig spreken.

M

Maach = familie.
Maar nu het heeftet al = Het is nu eenmaal zoo.
Macht geen noot = levert geen gevaar op.
Malcontenten = ontevredenen.
Man van deus aas = man van niets (deus aas, laagste worp bij het dobbelen).
Mandragora = alruinwortel.
Marckgraef = graf van een grensgewest.
Marmatica = een vergiftige delfstof.
Mater en Pater = de hoofden van het huis.
Me = mee.
Meucken = zacht maken.
Mijn plicht = mij afhankelijk maakt.
Mits = op grond van.
Mocht ick schoon = t.w. haar krijgen.
Mocken = een soort van zweren.
Moeder, haar = de aarde, hier: verschillende (delf)stoffen.
Moedicheyt = fierheid, trots.
Moeskoppen = vrijbuiten, moorden.
Moeskop(p)ers = vrijbuiters.
Mogende gebiet = machtig gezag.
Morgengaaf = geschenk op de morgen na het huwelijk.
Mortlen = steengruis.
Murruwe en misselijcke sinlijckheit = malle en niet vastgaande neiging.
Murw = onnozel.

N

Naars = achterwerk, kont.
Nacy = soort van volk.
Natimatica = Mathematica.
Nechti(g)(ch) = ijverig, ernstig.
Nes (nesk) (nescq) = zot, gek.
Neven = verwanten, familie.
Nietemyt = niemendal, niets.
Nyver = vatbaar voor indrukken.

O

Officy = ambt.
Ofpeuluwen = afrossen.
Ofpollen = afrijen.
Omsnorren = snel omdraaien.
Onbedwongen = vrijmoedig.
Onbekentenisse = verloochening.
Onbeleeft = die niet weet hoe het behoort.
Onbruyck = afhandig.
Onder de kluyten = onder de zoden. (begraven worden).
Onderscheyt = onderscheidingsvermogen.
Oneerlijck = onaanzienlijk.
Onger = tovernaar, geestenbezweerder.
Ontseggen = de oorlog verklaren.
Ontsegghen = afslaan.
Ontseyt = afgezegd, bedankt.
Ontspringhen = ontgaan
Ontstelt = in de war.
Onwaardelijck = geringschattend.
Onwil = verdriet.
Oogschijnlijck = voor mijn oogen
Oogschynnelijck = klaarblijkelijk.
Oorlof = verlof, vergunning, vrijheid, toestemming.
Oor-smeeckerije = vleierij.
Opgeven = overgeven.
Opgetrocken = grootgebracht.
Opluycken = opengaan, zich openen.
Opmercklijckheyt = waarneming.
Ouweling = verleden
Overdwaalsch = aanmatigend.
Overgeven = vol toewijding
Overheer = meester.
Overhoop halen = uitrichten.
Overmogen = meer vermogen dan, machtiger zijn dan.
Over uyt = integendeel er op uit.

P

Paarden tuysschery = paardenhandel.
Paltz = Paltsgraaf.
Peck in de ton = de danswijze Peckington’s pound.
Petorica = rhetorica
Platter = onbeschaafde.
Plompert = onbeschaafd mens.
Pocken = syfillus.
Porren = prikkelen.
Posnanische = van Posen (het huidige Posnan in Polen).
Prangen = drukken, knellen.
Prick = prikkel.
Prijckeloos = gevaarlijk, hachelijk.
Proeven = ondervinden.
Puf = spijt.
Puffen = tarten.

Q

Quackverkoopers = kwakzalvers.
Quackx = slap, flauw.
Quapaart = guitenstreek.
Quetsinge = verwondingen.
Quetsuur = verwonding.
Quins = queens, q-partlement blijkbaar ook een danswijze?

R

Raamt, ramen = bedoelen.
Rabbat = kanten kraag.
Ragot = historisch persoon?
Ramatica = grammatica.
Ranck = onvast.
Rang = (rank), schraal.
Reden-rijcken = de welsprekendheid beoefenen.
Reysiger = ruiter.
Rifjen uytsetten, een = zijn kleeren wat losmaken.
Rijck : er staat tijt (tijd)
Rijcklijk uytgeven = met een grote uitzet uithuwelijken.
Roosen voor Verckens stroyt = parels voor de zwijnen werpt.
Rop = maag.
Ruyten = plunderen.

S

Saartelijk = lieflijk.
Sack = meisje.
Saffjes = zachtjes.
Sam(m)elen = treuzelen.
Sarjanten = sergeanten.
Schallickheyt = achtedochtigheid.
Schaamle = arme, ongelukkige.
Scheets = schamper.
Schick = bouw.
Schielen = schrappen.
Schieten = steken.
Schieten = schimpen, schelden.
Schockt = opschrokt.
Schooren = zich schrap zetten.
Schoppen = schokken.
Schort = hindert.
Schout = gerechtelijk beambte, baljuw, commissaris van politie.
Schricken = verspringen.
Schricken = ontroeren.
Schrollen = in een verdrietige bui zijn, grommen, schimpen, smalen.
Schilla = klip in de Straat van Messina.
Schyt = zij hebben maling aan.
Schytbien = opschepper.
Secreten = geheimen.
Setten = plaatsen.
Sichteloos = blind.
Sier = ziel.
Sinckroer = pistool.
Sindelijcke = kieskeurigen.
Sinlijckheyt = neiging(en), genegenheid.
Sit en = zit te.
Slachten = veldslagen.
Slecht = gering.
Slemp = smulpartij
Sivilie = Sevilla.
Slecht = onbeduidend.
Slechten = tot klaarheid brengen, (iets) ophelderen.
Slim = boos.
Slim = schuin.
Slimmer = erger.
Slof = traag, slordig.
Slooven = zich moeite geven, zich inspannen.
Smalig = versmadend.
Smeerhoorn = hoorn als bewaarplaats van vet.
Smerich = vet.
Smout = reuzel.
Snacken = snappen, begrijpen.
Snar = vinnig.
Sneuckelaar = snoeper.
Snootheyt = boosheid
Snorrepyp = kinderspeelgoed, dat een snorrend geluid maakt.
Snuyven = snuffelen.
So u u goetheyt u beweechlijck gaat ter harten = zo uw goedheid uw hart kan bewegen.
Solpher = zwavel.
Soppen = schransen, vreten.
Spaenjen = attr. bij galliaarde?
Specioen = geld.
Spits = scherpzinnig.
Splitshoorn = marlpriem (wordt gebruikt bij het splitsen en knopen van touw)
Staan gheplant = zijn vast en flink.
Stage = voortdurende.
Stellen = stemmen.
Stoepjes = (Amsterdamse) stadssoldaten.
Stout = dapper.
Stracx = Terstond, onmiddelijk.
Stroopen = binden.
Stroy-stronckjes = strontstrooiertjes.
Susteren Fatual = schikgodinnen.
Susterlinx = zusterskind.
Suycker elekaarten = sakker heilige quarten (quatemper).
Sweeren = pijn doen.
Swermen = zwerven.
Swinck(je) = (vluchtige) aanblik.

T

Teneetjes = dineetjes.
Thresoor = schat(kamer).
Tieren = goed gaan.
Toelappen = toesmijten.
Toerientayen = tierlantijnen, versiersels.
T’ondegen = kwalijk gesteld.
Toorneteyt = autoriteit.
Tortelduyf = oud symbool van treurende achtergeblevenen.
Tsaarte = tedere.

U

U Heer = lees waarschijnlijk mijn Heer.
Uyt een eeckjen = in de puntjes, en ook: uit de azijn.
Uytgenomen = bij uitnemendheid.
Uytgetogen = in extase.
Uytstellen = ter zijde stellen, afwijzen.

V

Vaack = slaap.
Vaak in de tangden = groote honger.
Val = ritme.
Vallen = elkaar genegen zijn.
Vangenhuys = gevangenis.
Vart = ver.
Veraarden = ontaarden, veranderen.
Verachtert = achtergesteld.
Vereerlijcken = aanzienlijker te maken.
Vereysschen = opeisen.
Vergrijpen (sich) = zich verliezen.
Verholen = verborgen, geheime.
Verkomen = er bovenop komen.
Verkoren hebben = liefhebben (boven anderen).
Verkuyst met = gediend van.
Verlopen dagen = ouderdom.
Vermanen = betogen.
Vermaart voor = door het gerucht beschouwd als.
Vermits = behoudens.
Veronlege = eigenlijk: onledig houde, zich bezig houden
Verouden = ouder worden.
Verpijnt u = doe uw best.
Verpo(c)chen = de loef afsteken, overbluffen.
Verpoyt = aan drank uitgeeft.
Verrekenen = verhalen.
Verru = verf, kleur.
Verschoven = vul aan: dat van; verschoven, verstoten, verdoemd.
Verschurcken = huiveren.
Verset dit met een treck = belet dit met een handigheid.
Versieren = verzinnen.
Versinnen = vergissen.
Versmijten = wegwerpen.
Versocht = ondervonden.
Versoeken = beproeven.
Versteken = verwerpen, afstoten.
Versygen = wegtrekken.
Vertooning = betoog.
Vertrack = verhaalde.
Vertrecken = verhalen.
Vervloeckte = gebroken.
Verweent = prachtig.
Veylich = een toevluchtsoord.
Viervoeten = galoperen.
Villicht = misschien.
Vilt = woordspeling met veld.
Vlijen = richten.
Vlijen = passen, voegen.
Voldoende = weldadig.
Voldoent = welwillend.
Voor de qua gunst = om niet te kwetsen.
Voorbarige = voorname.
Voorschriften = voorbeelden.
Vroet = wijs.

W

Waalbaar = veranderlijk.
Waarlijck = wereldlijk.
Waerdschap = gastmaal.
Wangelaat = misbaar.
Waulen = knauwen.
Wederwaardelijck = mij slecht gezind.
Weenen = huilen.
Weselijck = ingetogen.
Wesen (dit) = toestand (deze)
Wijt en sijdt = over allerlei.
Wilt = wijds
Wis = zeker.
Wispelt in = speelt door.
Wissel-houwer = bankier.
Woeste = onbeschaafde, of misschien: verlaten, opzichzelf staand.
Wribbelen = voortschuiven.

Z

Zenen = zenuwen.
Ingezonden door: J.R. van Wijk

Thursday 19 July 2001 17:34