Achterclap = roddel.
Afkeerig = ze afwendend.
Alderhande = allerlei.
Amsterdamsche palen =
stadsbegrenzing in het IJ met behulp van houten palen.
Ampt = functie.
Arremoet = wrevel.
Aver = over.
Balderen = bulderen, donderen.
Ballansen = in evenwicht brengen.
Basilisq = een slangensoort.
Be-oogen = zien.
Bescheydenheyt = verstandigheid,
kundigheid.
Beschutten = beschermen.
Bespeuren = zoeken.
Bestieren = bestieren.
Beuseling = kleinigheid, nietigheid. (leugen?)
Bevoeden = begrijpen.
Bewelven = overstelpen.
Blood = beschaamd.
Bloodheyd = beschaamdheid.
Boeldery = omgang.
Boelen = in ontucht leven.
Boogen = verheffen.
Cloeck = schander, slim.
Cloeckste = schranderste, slimste.
Const = kunst, kunde.
Derven = missen, ontberen.
Deurmercken = overpeinzen.
Diergelijcke = dergelijke.
Dijn = uw.
Doodt = dode.
Doorheyt = dwaasheid.
Dorperheyt = grofheid.
Drachten = vrachten.
Druck = ellende.
Druckigh = jammerlijk, bedroefd.
Dy = jouw.
Eerelijck = bewonderenswaardig.
Eerkauwen = herkauwen.
End (juister: ent) = pijlt.
Eygenschap = persoonlijkheid.
Frenesy = verstandsverbijstering, razernij.
Ga(a)ren = gaarne, graag.
Gebenedijen = zegenen
Gejont = genegen.
Geweyt = ingewanden.
Gheknurrift = gekneust.
Glissen = glijden.
Gonst = gunst.
Guychel-spel = bedrog.
Heusheyt = beleefdheid, oprechtheid.
Hoovaert = hoogmoed.
Inderlijck = innerlijk.
Jent = keurig, sierlijk.
Jonnen = gunnen.
Jonst = gunst.
Jonste = genegenheid.
Joocken = lust hebben.
Juno = zuster van Jupiter.
Jupijn, Jove = Jupiter.
Kibbel = ruzie.
Kijf = ruzie.
Kippen = uit het ei pikken.
Klaar = helder.
Klapperny = gebabbel.
Klap-sieck = praatgraag.
Kleynsen = ziften, scheiden.
Kloeckaert = dappere.
Knapelijn = jongen.
Konfer = toilet.
Krackeelen = ruzies (zelfstandig
naamwoord) ruziën (werkwoord).
Kuysch = kies, fijn proevend.
Laas = helaas.
Lepperen = met teugjes drinken.
Leyd-ster = Ster van Bethlehem.
Leyder = helaas
Luym = humeur.
Maaghen = familie, bloedverwanten.
Malen = schilderen.
Na-magen = naaste bloedverwanten,
naaste familie.
Narrery = dwaasheid, gekheid.
Nicker = watergeest, duivel.
Niet = niets.
Noost = leed doet.
Norts (eigenlijk: noorsch)= stuurs,
bars.
Ontsien = gevreesd.
Ontbieden = boodschappen.
Onverlemd = gaaf.
Onvertsaacht = moedig, zonder vrees.
Ootmoedelijck, Ootmoedigh
= nederig.
Openbaerde = werd openbaar.
Pallas Athene = de godin van
wijsheid en kunsten.
Phaon = jongeling, welke de liefde van Sappho
versmaadde, waarna zij zelfmoord pleegde.
Pluto = andere naam voor Hades, god van de
onderwereld, schenker van de rijkdom.
Pocchen = grootspreken.
Poppen-goed = speelgoed.
Pramen = kwellen.
Prat = trots.
Preuts(ch) = kloek, dapper.
Propheteeren = voorspellen.
Pucyk = bloem, beste.
Raeck = wat geslacht is.
Rechte = juiste.
Rechts voor = vlak voor.
Redekavelen = vonnisen.
Reden = verstand.
Roer = geweer.
Sabbatteeren = zich onthouden.
Sappho = oud-Griekse lyrische dichteres van
Lesbos.
Schaeken = roven.
Schalck = kwaad.
Schermutsen = met kleine benden en
onregelmatig vechten.
Schier = bijna.
Siften = zeven.
Sinnelijckheyt = zin, neiging.
Slechtste, t = het
onnozelste, het domste.
Snoot = armzalig, schamel.
Snootheyt = misdrijf, wreedheid.
Snorcken = snoeven.
Soeticheyt = aanhaligheid.
Sonderling = zorgvuldig.
Standaart = vaandel.
Stichten (in) = stemmen (tot), troosten,
zalven.
Strengel = slinger.
Strickje = opschik, versiersel.
Stroocken = vleien.
Swarigheen = bezwaren, tegenwerpingen
Swenckje = wenkje.
Swillich = dik linnen.
Tegen-wenst = anders gerichte
gewoonte.
Teghenheyt = onheil.
Tempeest = storm.
Ten minste = in het minst.
Toornigh = woedend.
Twist = ruzie.
Uytghenomen = uitgezonderd, bijzonder.
Vaack-loos = slapeloos.
Vadt = traag, loom, slap - maar hier
eerder het tegendeel!
Vaersen woorspeling op verzen,
vaarzen (jonge koeien).
Veer = ver.
Venus = godin van de schoonheid.
Veraart = veranderd.
Verblaesen = weg blazen.
Vergrammen = boos maken.
Vermeten = overmoedig handelen.
Versaaden = verzadigen, stillen.
Versuymel = verwaarlozing,
verontachtzaming.
Versoecken = proberen, op de proef
stellen.
Verweent = verfijnd.
Verwonnen werken = handelingen van
iemand die overwonnen is.
Vierdaachs = zondags.
Vierich = vurig.
Vliet = vlucht.
Voet vallen, te = knielen.
Vonden = listen, streken.
Voor-barigh = zich naar voren dringend.
Vranck = vrijmoedig, vrijpostig.
Vunstich = muf, vochtig.
Waerdy = waarde, prijs.
Walen = ontroerd zijn.
Wanderen = omgaan met.
Wel ghedaan = schoon, mooi.
Weyden, zijn ooghen = zijn ogen laten
rondgaan.
Wichtich = gewichtig, belangrijk.
Wit = doel(wit).
Wt = uit.
Zaarheyt = liefelijkheid.
Ziel-gelijcke = verwante.
Zeverbecken = kwijlen.
Aantekeningen:
1 Is leest ist?
2 Er staat bocxachtigh.
3 Mijn, er staat: my.
4 Er staat: geloopen.
5 In, er staat: en.
6 Er staat: geloopen.
7 Er staat: s werelts.
8 Lees: voorstelt?
9 lees: voorheen?
10 Venus.
Ingezonden door: J.R. van Wijk, 24 december 1997.