WOORDENLIJST BIJ MOORTJE : G.A. Bredero (1585-1618)

A

Aable = handige, bekwame.
Aallemoer wat doeje ande schop = een speelliedje.
Aam = oude vochtmaat van 4 ankers (de grootte varieert naar land en vloeistof).
Aankomelingh = jongeling (adolencent).
Aars noch aars = niet anders.
Achterclap = roddelpraat.
Achterstal = schade.
Acksjen = aandelen.
Aer = ander.
Afpollen = afvrijen.
Afterst = achterste, kont.
Al = als.
Al miende sy al waers = Al nam zij het voor goede munt op.
Al op, antwoord op het voorgaande, of vragen de kinderen om meer snoep?
Aldervroomste = meest geachten.
Allegaar = allemaal, allen.
Als een meyt = flink.
Alst is = zo is het (ironisch).
Alst nieuwers voor en komt tyt hy hat ant hassebassen = zoals ’t nergens gebeurt gaat hij.
Altemael = alles.
Altemets = soms, zo nu en dan..
Alven = spotten.
Amelen = beamen.
Amonysis lees Ausonis (Kluyver) of Ciceronise.
Ancker(tje) = inhoudsmaat 36 liter, verdeeld over 44 of 45 flessen.
Anders = althans.
Ansnuyven = snel naderen.
Antasten = aanraken.
Aplen van Jeranje = sinasappels.
Arch denken = argwaan hebben.
Arregert = ergert.
Arrier = naar achteren.
As kacx = quasi, zogenaamd.
Assignatie = wissel, orderbrief.
Auwert = Aduard (plaats in Groningen).
Avontuuren = wagen.
Avous = op uw.

B

Baart = tekeergaat.
Backus van Bremen = blijkbaar: brutaal gezicht.
Baeselmanis = kushanden.
Bancken = tafelen, aanzitten.
Baren = zich gedragen.
Baren = golven.
Barmhertigh = erbarmelijk.
Baseliskisje = fabeldier, slangdraak, die volgens het bijgeloof zo vergiftig zou zijn, dat een blik van hem zou doden.
Battalie = (veld)slag.
Bedaaren = houding (fout voor gebaaren?)
Bedwinghen = geweld aandoen.
Begecken = bespotten, voor de gek houden.
Begrobbelt = besmeerd.
Bekennen = leren kennen.
Bekollen = beheksen, betoveren.
Bekommerd = bezwaard, verpand.
Belecht = overlegt.
Beleggen hier: bedwingen.
Belezen, gezochte woordspeling tussen belezen, bezweren en belezen, voorlezen.
Belghen = zich boos maken.
Beloopen = opgelopen.
Belul = benul, besef.
Beneffens = naast.
Benier = manier.
Beniste = Menisten.
Berchen = redden.
Besuckt = razend.
Beschansen = van forten, wallen voorzien..
Bescheyden = oordeelkundig, knap.
Bescheydenheyt = oordeel(kundigheid).
Beschoten = ingeslapen.
Besich = druk.
Besint = lief.
Beslepe = geslepen, scherp.
Besongierende = zaken behandelende.
Bestaen = beginnen.
Besteck = aanstoken, opruien, aanhitsen.
Besteecken = beraamd.
Besteen slaat op geld.
Besteetster = verhuurster van dienstboden.
Bestellen = in orde brengen.
Bestellen = bezorgen.
Bestellen = aanleggen.
Bestellingh = opdracht, order.
Bestemoer = overgrootmoeder.
Bestevaar = overgrootvader.
Bestoor = pastoor.
Bestuur = postuur.
Besucht = verduiveld.
Betouw = witte wijn uit Poitou (Frankrijk).
Bevallijckheen = welgevalligheden, buitenkansjes.
Bevoer = ging.
Bevroen = begrijpen, bevatten.
Bewimpeling = vergoelijking.
Bey ezyen = beide zijden.
Bicken = (vr)eten.
Bid = smeek.
Blaffer = blaaskaak.
Blaeuwe = onnozele.
Blanck = munt ter waarde van zes duiten (31/4 cent).
Blauw = waardeloos.
Blieck-vyst = bleekneus (eig. bleekschhot).
Bloemen = naar de WC gaan.
Blooden = beschroomde, verlegen.
Bocht-jachten = woelen en jachten.
Bocxhooren = stok met hoornen kop? zeker geen stormram!
Boelschap = ontucht.
Boerten = schertsen.
Boetschuldich = veroordeeld te boeten.
Bol = gezet.
Bondigh = bindend.
Bonghsen = bunzing.
Botelrij = bottelarij, provisiekamer.
Brabler = Brabander.
Brant-yser = haardijzer.
Braveerden = trotseerden.
Breecken = overwinnen.
Breydel = toom, teugel.
Bricken = schijven.
Briefje hebben (een) = zich veel verbeelden, veel praats hebben.
Bril sien = op zijn neus kijken.
Brommen = pralen, schitteren, vertoon maken, geuren.
Brosse(n) = brassen.
Brugh (de) = beurs (de) ?
Bueck = klap.
Buelling = worst.
Bus-poer = buskruit.
By Alterum Partum = om de beurt.
Bystervelt, van = stereotype naam voor een berooide jonker.

C

Ces = acte van boedelafstand.
Cleunen = slaan.

D

Daar toe = bovendien.
Daer ben ick veur = dat zal ik voorkomen.
Dan = maar, doch, echter.
Dat = toen.
Dat geeft my al te vreemt = dat verwondert mij erg.
Dat jou de Nickerhaal! = de duivel hale je!
Dat sal ick my wel myen = dat zal ik wel laten.
Dats over = daar valt niet meer over te praten.
Datsje veur = volg mij maar (hij is op het punt naar binnen te gaan)
De neghen = er negen.
Deeren = meisje.
Delfs-enghels = biersoort.
Deliberatie = beraadslaging, overleg.
Denken = van plan zijn.
Deucht = voortreffelijkheid.
Dick = vaak.
Die geyle luyder kost is welich meer, als frey = Die kost van buitensporige lui is meer overdadig dan lekker.
Die heeft al eenendartich = die is al uitgespeeld.
Die op die neringh varen = die zich op hetzelfde toeleggen (dus: zeerovers).
Diep gaen = veel uitgeven.
Diets maken = iemand iets wijsmaken, op de mouw spelden.
Dit = deze praat.
Dobbelt die mis? = telt die niet mee?
Docken = betalen.
Doe(n) = toen.
Doen bescheyt = vertellen.
Dofje = buitenkansje.
Dommelick versterkend woord.
Dooper = Wederdoper, Mennonniet.
Doot-eter = iemand die op de uitkijk staat naar binnenkomende schepen.
Dray-aarsen = draaikont.
Drabbelen = drentelen, heen en weer lopen.
Drenten = treuzelen.
Dreuts(ch) = honds, onvriendelijk.
Drieschen = tarten, uitdagen.
Droes = duivel.
Drommel = duivel.
Drooghert = iemand met weinig levenskracht.
Druemde = van drom (afval bij ’t weven) gemaakt.
Dubbel = vals.
Dubbelden Aernt = met gekloofde kop .
Dubbelt = sluw, eig. trouweloos.
Duecht = weldaad.
Duer gaan = er wat van maken.
Duer gegaan = er van door gegaan.
Duerstrijcken = doorstrepen, doorhalen.
Duevekater = soort krentenbrood.
Dusken = zulk een.
Dutten = tobben.
Dwars = tegenstribbelend.
Dweech = week.

E

Ect. drukt uit dat Moyael door wil spreken.
Eelleman = vriendlief.
Eenparich = hetzelfde, eender.
Eenrinsch = eigenaardig.
Eens = contant.
Eer opsegghen = iets eervols vertellen van.
Eerelyckst = ’t fatsoenlijkst.
Eerlijck = in aanzien, fatsoenlijk.
Eerst = pas.
Emmerlock = de dikste paling.
En = indien, als.
Endt = bedoeling.
Ent-vuegel = eend.
Esquadron = afdeling ruiterij.
Exce komplurius = het is er meer dan een.

F

Fackseeren = trekken aan.
Factor = handelaar.
Factory = handel.
Faillieeren = falliet gaan,
Fasol = fatsoen.
Fayl = dweil.
Fel = kwaadaardig.
Fiel = booswicht, schurk.
Fier = bloeiend, welig.
Flab = halsdoek.
Fransoysche sieckt, fransoysen = morbus gallicus, syfilis.

G

Ga(a)ren = graag.
Gaat aan = valt aan.
Gaen als een Paert in een rosmuelen = steeds in een kringje lopen.
Galligert = galgenaas (rijp voor de galg)
Gants = voor God.
Gants lichters : een basterdvloek.
Garde = roe.
Garsynen = rozijnen?
Gebras = rommel.
Geck scheren (de) = spot drijven met (de).
Gecken = schertsen, geinen.
Gecks-kap = zotskap, narrenkap.
Geen deech = niet in orde.
Geggetje = geintje, lolletje.
Gelach = drank- en spijsrekening.
Gelt-snoeck = homsnoek.
Gemist = misgelopen.
Gemoedt = oprecht gevoel.
Gemelijcken = kwade, boze.
Geneeren = bezighouden.
Geneeren = verdienen.
Genegentheyt = liefhebberij.
Gepluystert = geplunderd.
Geren = begeren, verlangen naar.
Geringe = gauw.
Gerit = oploop.
Gesalyd = met salie er door?
Geschoffiert = verkracht, onteerd, geschonden.
Geschuerde goedt = vrouwen.
Gesletert = Stuk gescheurd.
Geswind = handig.
Geswindtheyt = bijdehandheid.
Geweldige provoost = uitvoerde van lijfstraffen.
Ghedaalt = afkomstig.
Gheen onghelijck = met recht.
Gheest = (hele) piet.
Gheklieckt = van allerlei geslikt.
Ghelaat = houd.
Gheluekert = lauw gemaakt.
Ghemeen = alledaags.
Ghemoet = bereid.
Gheplaar = gefleem, liefkozen.
Ghepuffel = gespuis.
Gheschickt en eerlijck = behoorlijk en fatsoenlijk.
Ghesienst = prachtigst.
Gheschoren = gesteld.
Ghesplete = gesplitste.
Ghetaeffereelt = afgebeeld.
Ghewannen = gezeefd.
Gheweydt = gewaad, kleding.
Ghewouwt = macht, handen.
Ghy sult de kost wel krijghen = jij weet er alles van.
Giest = piet.
Gilde = verkwister.
Gilt (’t) = gilde, orde, n.l. der advocaten.
Ginnegabben = onbeschaamd lachen.
Gispen = geselen.
Glissen = glijden.
Gnap = gladweg.
Gnortich = knorrig.
Goelick = knap.
Goet Emsters = Landgoed Emsters (lag aan de Amstel).
Gorle goy = schorrie morrie, tuig van de richel.
Gorregel = keel.
Grammen = boosaardig.
Gramschap = boosheid.
Granje = al wat je maar wil.
Grimlachen = kwaadaardig lachen.
Groen = verliefd.
Grondt schieten = diepte peilen.
Groot Embder = de Embder bedingen, waaruit men leerde lezen.
Groot Kaddet = grote heer.
Grutten = gort gerecht.
Gul = soort kabeljauw.
Guwen = geeuwen.
Guyl = lafaard.
Guyt = deugniet.

H

Haast = allicht.
Haast = gauw.
Hachje = stuk vlees of spek.
Haegghemans volck = verlopen volk, Jan Rap en zijn maat, uitschot.
Haertje = meisje van plezier.
Hagel-schut = janhagel, het heffe des volks, het laagste volk.
Haggelijck = best mogelijk.
Hane-balck = hoogste balk in een gebouw.
Hane-veer = vechtersbaas.
Hane-voet is myn gebreyt, de. = Er is geen ontkomen meer aan.
Hangh-yser = een heet hangijzer, een netelige zaak.
Hangtjen = handje.
Hans hiet (die) = een baas, die er wezen mag..
Harderwijck drukt ook kaalheid uit.
Hassebassen = kibbelen, kijven.
Hecht = snoek.
Heeftet al (’t ) = het is zo ver.
Heer = leger.
Hender = hierheen.
Heromnes = zooitje.
Het = hè!
Het geltje = ik wil wedden.
Het in zijn gat hebben = eigenlijk bezopen, dronken zijn.
Hielder = hieuw hun, hakte hun.
Hippelt = huppelt.
Hockelingh = éénjarig kalf, fig. lang opgeschoten knaap of meisje.
Hockels = hokjes.
Hoddebeck = stamelaar, stotteraar.
Hoe na(e) = wat? hoe is het?
Hoenders = kippen.
Hoep = ring.
Hoep-stock = hoepelstok.
Hoeren hier enkelvoud.
Hompelen = hinken, struikelen, mank of kreupel gaan.
Honckje = hondje.
Honniesnap = vleierij, stroopsmeren (eig. honing).
Honts-klinck = hondsvot. hier lafaard.
Hoochdraghend = verheven.
Hoovaardich = trots, ijdel, verwaand.
Hoply = kapiteins, hoofdmannen.
Hopman = kapitein, hoofdman.
Houten ansicht = iemand die een stalen gezicht zet, pokerface.
Houwen en beleggen = scheepsterm: een touw stevig vasthouden en aan een paal vastmaken.
Houwt = stil
Houwt = wacht, reserveert.
Hovaardich = trots, hoogmoedig.
Huyck = zijden of stoffen kapmantel.Huel = troost.
Huykevaaken = knoeisters.

I

Ick ben niet sekers vroeder = Ik weet het niet zeker.
Ick bender so niet an = zo is het met mij niet gesteld.
Ick deed liever vul aan: ik weet niet wat.
Ick voelden selde gronckt = ik had zelden honger.
Ick kon ryene en omsien = ik was bij de hand.
Icker = duivel.
Iens loefs = rechtstreeks.
Ignorancy = onwetendheid.
Immers = althans.
In = als.
In de kan kycken = veel drinken, zuipen.
In de Venesoenen setten = misschien vetmesten.
In grasduynen gaen = zich te goed doen.
In mangel = bij gebrek.
In zijn deer zetten = te doen hebben met, beklagen..
Inbinden = opkroppen.
Inne korstent = in gedoopt.
Int = indien het.
tIs ommekomen = alles is verloren.
Isser of = is zeker.

J

Jan gatten = onhandige personen, klungels.
Jan Hen = pottenkijker.
Jan Rap ginger me duer = Het zou een relletje worden.
Jemeny = Jezus Maria.
Jent = lieflijk.
Jocken = schertsen, lol trappen.
Jonsten = gunsten.
Joockt = verlangt.
Jorden = bloodaard, lafaard.
Journaals = dagboeken.
Jues = zult?

K

Kabbeljaus ooghen = een soort snoepgoed.
Kaer = vriend.
Kaes-jager = landloper.
Kalisen = kleine lieden, eenvoudige mensen.
Kallen = babbelen.
Kalven = de winter hebben.
Kamer-katje = meisje dat op haar kamer ontvangt.
Kanjewiel = een soort peer.
Kapiteyn by nacht = onderschout.
Kapitoorye = kaft.
Kappitelstock = suikerstokje met een kern.
Kappoen = gecastreerde haan.
Kasjack = casaque = korte rijrok, reisrok met wijde mouwen.
Kat de soete-melck bevolen, de = de kat op het spek gebonden.
Kauw = pit.
Kent = erkent het, bekent het.
Kerfstock of doen, de = er genoeg van hebben, geen geduld meer hebben.
Kermen = huilend klagen.
Keteldicht = keten gedicht.
Kinnetje = een kwart ton bier.
Kistient = gesteente.
Kit = kan.
Klapmuts (de), en de botter op een rooster braen = allerlei streken uithalen.
Klaasje Buytenaer is blijkbaar de maker.
Klaater = klets.
Kleeter = eingenlijk klap.
Kloeck = knap.
Kloeckmoedich = onversaagd, dapper.
Kluyver = snoeper.
Kneppelde = knabbelden???
Koeck (de) = Amsterdammers (de).
Koeter-waal = iemand die onverstaanbaar (Nederlands) spreekt. (eigenlijk eenFranstalige Belg (Waal), die Nederlands probeert te spreken.
Komen uyt = voor de dag komen.
Komparisy = vergadering, bijeenkomst.
Komtet jou wel scharp = jij hebt het gauw te pakken.
Konstapel = bevelhebber van de ruiterij.
Konfloribus = verschillende manieren van drinken.
Konvoy-biljet = geleidebiljet, waarmee de goederen van de ene naar de andere plaats vervoerd mogen worden.
Koocker-stickje = kaakstukje.
Koopje geen glas = ’t mocht wat.
Koontje = oorvijg, klap op de wangen.
Kooren-dragher = een gebouw (de Korenbeurs?).
Koorentje = lieveling.
Kopperdagen = tweede maandag van het nieuwe jaar, ook wel verloren maandag genoemd.
Kornel = kolonel.
Korsel = opvliegend, lichtgeraakt.
Kourael = koraal.
Klaphout = duigen (onderdelen van een ton).
Klet = jakje met korte mouwen.
Klick = stok.
Kloet = polsstok.
Kluyt = geldstuk.
Knobben = brilduikers (eendensoort).
Koft = kocht.
Kolck = asgat van een haard.
Konsent = toestemming.
Kouranct = tijding, nieuws.
Kraak = een groot koopvaardij- en oorlogsschip uit de 16e/17e eeuw (Portugees/Spaans).
Kracht = verkrachting.
Krachter = verkrachter.
Kreeft-dicht = een gedicht waarvan de zin hetzelfde is, onafkankelijk of men van de leesrichting.
Krits = luister, glans, gloor.
Kroten = bieten.
Krytende = klagend huilende.
Kuegel (De) = Koog (De).
Kuf = gemene kroeg.
Kufje = kroegje.
Kundigh = welbekend, vertrouwd.
Kuyt = fut.
Ky’ren = kinderen.

L

Laagenoots = gelaggenoten, drinkebroer, stapmaat.
Laaglooper = klaploper, zwerver.
Lachter = schande.
Langetje = landje.
Larderen = doorrijgen met spek.
Larye = kletsen.
Last = opdracht.
Lecker = likkepot, kwajongen.
Leckerlijck = weekelijk.
Leet = bekende.
Legg(h)er = agent, factor, handelsgemachtigde, zakenwaarnemer.
Lest lees liest, d.i. liefst.
Licht = gemakkelijk, zonder moeite.
Lichtmis = losbol, .
Liestentje = lieverd.
Lievers = iemand lieverd.
Lijden (zich) = genoegen nemen.
Ling = worst.
Loer = vlegel, botterik, lomperd.
Lommert = pandjesbaas, bank van lening.
Loof = vrolijkheid.
Loof = moe, mat.
Loosheyt = sluwheid.
Lors = knoeister, konkelaarster.
Los = uitverkocht.
Lubben = catrereren, ontmannen.
Luer = kleinigheid.
Lues = leus, opdracht.
Luyer duer (de) = der liederen door.
Luypten = loerden.
Lyas = bundel aaneengeregen papieren.
Lyen haer = nemen genoegen.

M

Maackt = speelt.
Maacktese boven dicht = keerde ze om.
Maachschap = bloedverwantschap.
Maar = boodschap, bericht.
Maartens = dienstmeiden.
Maeltjen = vlekje.
Malloot = domme vrouw.
Mangel van = gebrek aan.
Mangelen = ruilen.
Mangellen = amandelen.
Magistraat = overheidspersoon, rechter.
Manhaftich = dapper.
Maraan = Spanjaard.
Mater en pater = hoofden van het huis.
Me = mee.
Meer = merrie.
Men = mij.
Met de korsten = in het kort.
Met de nar lopen = voor gek lopen.
Met een hibbel en en dribbel = om de haverklap.
Met een juecht = sappig.
Metter woon = vaste woonplaats.
Mick = halve galg.
Min = voedster, zoogster.
Min = liefde.
Mingel, mengel = oud-Nederlandse vochtmaat bij wijn 1,21 liter.
Minne-moer = voedster-moeder.
Misschuytjes = beschuitjes.
Mit drachten = geleidelijk.
Mit mantels en met huycken n.l. om der op te passen.
Mits = door.
Moes-kopper = stropende soldaat.
Momme-pack = vermomming.
Moncksuer = meneer.
Moolick = vogelverschrikker, hier stropop.
Moris = Moorse, Moorin.
Morssebelletje = slordig dienstmeisje.
Muruw = halfwijs.
Muts hebben (de) = verliefd zijn.
Myn verborghentheen so grondich te beveelen = Mijn geheimen volkomen toe te vertrouwen.

N

Naarts = achterste.
Nabben-naers = het dieptste van de hel.
Namaals = later.
Narm = arm.
Nechtich = dringend.
Neffens = naast.
Negocyanten = kooplieden.
Nergent of en weet = nergens van af weet..
Nesk = mal, gek, zot.
Neskebol = zot, gek.
Nicker = boosaardige watergeest.
Niet arch = niet verdacht. (niet ontbreekt in de tekst).
Niet eten noch niet kauwen = niet verkroppen.
Niet en myt = (klein muntje) geen zier.
Nieten mydt = geen zier.
Nift = nicht.
Nigromancye = tovenarij.
Noch = och.
Noch om noch over = geen kleren aan het lijf.
Noen-mael = middageten, lunch.
Noest = druk.
Noodt = last.
Noom = oom.
Nuw = eigenaardig, raar.
Nuwe bueseling = mallepraat, gekkenpraat.

O

Oblygatie = schuldbekentenis.
Oevel = euvel, kwaad.
Of = als (bij de volgende regel).
Of = van.
Off eliert = afgekeken.
Ofsmeren = afranselen.
Oirkonden = getuigen.
Om veer = veraf.
Onbescheyden = zonder besef.
Onbevoelijck = ongevoelig.
Onbruyck = waardeloos.
Onder allen = onder de bedrijven.
Onder iennich = voor kort, kort geleden, pas.
Onder verbetering = houd mij ten goede.
Onderwaarich van = onderhevig aan.
Ongduechdelijck = geweldig.
Onghevaarlijck = ongeveer.
Onpersybelijck = onmogelijk.
Onschult = verontschuldiging.
Onse = die wij allemaal kennen.
Ontarnbare = onlosmakelijk.
Ontbeydt = wacht.
Ontgaet = te buiten gaat.
Onthouwt = ophoudt.
Ontmomt = ontfutseld, stiekum wegnemen.
Ontschaken = door schaking ontvoeren.
Ontsmeken = door vleien afhandig maken.
Ontijdich = gemeen, vuil.
Oorlof = verlof, vergunning, toestemming.
Oorsaack = voor gelegenheid.
Oorsmeeckerij = mooipraterij.
Oortje = muntstuk ter waarde van 2 duiten of een kwart deel van een stuiver.
Oosterlingh = iemand uit de Oostzeelanden.
Oostersche kop = een soort beker.
Ootmoedich = nederigheid tonend.
Op ’t aldermins = zo min mogelijk.
Op de baan = in zwang, in de mode.
Op die snaeren = eigenlijk snarenspel.
Op een nie = opnieuw.
Op een prick = heel precies.
Op hem passen = met hem in aanraking komen.
Op nu = op heden.
Op ehaalt met een mouwe-spelt = opgepronkt, opgeschikt, mooi gemaakt.
Opgheleyt = opgedragen.
Opghetrocken = opgevoed.
Oppebrocht = in de mode gebracht.
Oppebyten = het ijs openen door er één of meer bijten in te hakken.
Oprechten = goedmaken.
Opsen elvendartichst (op zijn elf en dertigste) = heel langzaam.
Opkomen = overkomen.
Orber = belang.
Ordinancy = verordening, bevelschrift.
Ouwe kousjes jaergetijen = oude bakerpraatjes, oude roddel.
Over de nagel werpen = over de balk gooien, verspillen.
Over staach = overstag, door de wind gaan.
Overdaat = euveldaad.
Overgeven = gewetenloos.
Overkomen = doortrapt.
Overspruyt = overslaat.

P

Paartsche = als van een paard.
Paender = mand.
Panckt = pand, stuk.
Panlicker = klaploper.
Pardiel = bordeel.
Parlementen = pruttelen, morren, knorren, zeuren.
Parlementeren = onderhandelen.
Pas op = geef om.
Pasdijsje enz. = dobbelspelen.
Passen op = passen bij.
Payen = afschepen.
Peetje = peter, peetvader.
Pelser = pelsmaker.
Peper-huysje = papieren puntzak.
Peys = vrede.
Pieperling = gepeperde worst.
Pille-gelt = doopgift van de peetvader.
Plat-beck = goedkope steen.
Pley = eigenlijk katrol, hier rekpaal.
Pluym-strijcken = vleien.
Pluysteren = plunderen.
Pol = minnaar.
Pols = polsstok.
Pongsen = instoppen.
Poppe-goed = speelgoed.
Pottaart = pot.
Pracchen = bedelen, schooien.
Pracher = bedelaar, schooier.
Prochianen = pastoor.
Prol = appelsoep.
Provoost = militaire rechtsbeambte.
Pruylend pratten = mopperen.
Pry = kreng.
Pueren = trekken.
Puffen = uitdagen.
Puts = zakje aan een broek ter plaatse van de gulp. Hier als scheldwoord.

Q

Quack = grap.
Quansuys = schijnbaar, quasi.
Queen = hoer.

R

Raat = besluit.
Rabatteert = geeft korting.
Rabbauwen = appelsoort.
Rabbauwen = schelmen, boeven.
Rabbelen = zwetsen, snel en onverstaanbaar spreken.
Racker = gerechtsdienaar.
Rangh = rank, mager.
Rasp-huys = Tuchthuis, waar misdadigers o.a braziliehout fijnmaken, wat gebruikt wordt als rode kleurstof.
Ratelwacht = klepperman, nachtwacht.
Reden vertoonen = een betoog voeren.
Reekx = sleutelbos.
Retour = terugvracht.
Revekallen = raaskallen.
Reyn = naar mijn zin.
Reyne = mooie.
Reynicheyt = maagdelijkheid.
Ribsakken = plagen, pesten.
Riem = een hoeveelheid van twintig boek (elk boek van 24 vellen).
Rijck ghebuyt = rijkgeplunderd.
Rijden = hinderlijk zijn.
Ritsen = uitrukken.
Rofster = koppelaarster.
Roffyaan = bordeelhouder, hoerenwaard.
Roncken = snurken, slapen.
Roosenobel = gouden oudengelse munt ten tijde van Eduard III (1343-1377).
Rop = maag.
Rueckeloos = zinloos, doelloos.
Rueckeloosheyt = niets ontziend, zonder medelijden.
Rustich = royaal.
Rusti(g)(c)h = zelfbewust, flink, kloek.
Ruym-schotelt = royaal.
Ruynen en Kappoenen = castrereren eig. gecastreerde paarden en hanen.
Ruysmuysen = kroeglopen.

S

Sabben = zoenen.
Sagen een jeucht = haalden hun hart op.
Saggelaar = zeur.
Say = zei hij.
Schaken = veroveren.
Schalien = leien.
Schalcken = boeven, schurken.
Schaleckheyden = schurkenstreken.
Schampeljoentje = staaltje.
Schap-rae = plankenkast.
Scharrebier = dun, slecht bier.
Schellemsche = bedrieglijke.
Schempen = scheldwoorden.
Schennis = schandaal.
Schente-kueken = mager en bleek persoon, ondanks al het eten.
Scherluyn = schelm, snaak, booswicht, schurk, schavuit.
Schic = slag.
Schieman = onderofficier aan boord, die met het toezicht over de tuigage van het voorschip belast is.
Schijnvader = stiefvader.
Schock = zestigtal, menigte.
Schocken = schrokken.
Schocken, in te = op te eten.
Scholver = aalscholver, hier vlegel.
Schoolbort = houten draagkastje voor boeken.
Schoon = volkomen.
Schorteldoeck = schort, schootsvel.
Schosse(n) = vreten.
Schotich = lang?
Schots = onvriendelijk.
Schouwt = baljuw, commissaris van politie.
Schoyen = benen maken, er vandoor gaan.
Schoyer = bierventer.
Schranckelen = krabbelen.
Schreyen = huilen.
Schrollen = schimpen, schelden.
Schrueppeloose = scrupuleuse, angstvallige.
Schruer = kleermaker.
Schuecken = hoeren.
Schuyfje = pijpje tabak.
Schytvalck = heertje.
Seldsaam = vreemd.
Seper = zeker.
Sier = ziel.
Sier = zeer (maak je niet ongerust).
Sijn selver = voor zichzelf.
Simpels = gewone rijen.
Singhen met de star = als drie-koningen rondgaan.
Sinnelyckheden = neigingen.
Sintvelten = vallende ziekte.
Slaa-loos = onverschillig.
Slabberaen = een week gerecht, dat makkelijk te eten is.
Slecht = simpel, eenvoudig, onbeduidend, armelijk.
Slecht(ic)heyt = onnozelheid, domheid.
Slempt = drinkt
Slemper = drinker.
Slenter = vod.
Slickermicken = flintertjes.
Slijten = lozen.
Slings = links.
Slincker = linker.
Slocker = veelvraat.
Sloeren = geduld worden (verg. sleur).
Slof = nalatig.
Sluer = trant.
Sluyer = wimpel.
Sluyt = toeknijpt.
Smeerich Officy = goed betaalde baan.
Smetsen = smikkelelen, lekker eten.
Sm(y)(ij)ten = slaan.
Snaar = schoondochter.
Snaversnel = praatjemaker.
Sneech = snik.
Snoeren hetzelfd al snaar: snol.
Snoodt = onwaardig, slecht, boos, misdadig.
Snootheyt = misdrijf, wreedheid.
Snorrepyp = kinderspeelgoed, dat een snorrend geluid maakt.
So vroom niet = heb de moed niet..
Soetelaer = marketenter, iemand die in het leger eten en drank verkoopt (CADI CAntine DIenst).
Sonderlingh = bijzonder.
Sonders = bijzonders.
Songder = zonder.
Sorich = vrees.
Soch = zeug.
Souw = behoorde.
Spannen = binden.
Spechten = spekken, Spanjaarden.
Speciaal = vriendlief.
Speck (’t) = Haarlemmers (de).
Specken = Spanjaarden (bijnaam).
Speldekoker = iemand die opgeprikt is.
Spijt = onvriendelijkheid.
Spilpenning = verkwister.
Spinrocken = spoel winden.
Spitsbroer = krijgsmakker, dienstmaat.
Spoeden = lot.
Spoeldese de voeten = wierpen ze overboord.
Sporrelingh = strubbeling.
Spouwen = kloven, splijten.
Spraken = talen.
Sprenck-vleys = pekelvlees.
Springhstock = polsstok.
Sprotich = sproetig.
Spynt = provisiekast.
Stal = stand.
Star schieten = de hoogte van een ster waarnemen.
Start = staartje.
Stee-bood’ = stadsbode.
Stijfstertje = wasvrouw van fijn goed.
Stillevegher = schoonmaker van poepdozen,
Stoep-schyters = stadssoldaten.
Stoepjes = dienaars van de schout, stadssoldaten.
Stofferen = opknappen.
Stongh = stond.
Stoorien = verhalen.
Stooter = munstuk van 121/2 gulden.
Stout(en) = dapper(e).
Stra(c)x = dagdelijk, onmiddelijk, terstond, aanstonds.
Strepen = striemen.
Stro-bienen = slappe benen.
Struyfje = omelet.
Stuckedrochs = stuk bedrieger.
Suffen = bang zijn.
Stuypen = buigen.
Sulpher-stock = lucifer (eig. zwavelstokje).
Suyker-noompje, slabber op, slabber neer = een speelliedje.
Suyssebollend = half bedwelmd.
Suyver = rein, schoon.
Suyverlijck = vlekkeloos.
Swaentje = prositiuée.
Swinck = draai.
Sy streeftje assen vos = Zij zet haar beste beentje voor.
Sy vreest dat op haar kap sla druypen = Dat zy het op haar kop zal krijgen.
Syn Turf is hier te licht = Hij heeft hier niets in te brengen.

T

Taallen = verlangen.
Tallen tyen = te eniger tijd, op een bepaald ogenblik.
Tangde = tanden.
Tangsjes = daarnet.
Tans = zo even.
Tas = meid.
Tas van een parlde-pop voor parlde-pop van een tas d.i. meid.
Te gaar = bij elkaar.
Te goed doen = recht doen.
Te laach leggen = in de lij liggen, het afleggen.
Tegenstaan = dwarsbomen, zich verzetten tegen.
Ten waar = dat het ware.
Ter hant = dichtbij elkaar.
Terstondt = zo-even.
Thans = zo-even.
Tijdt …… na wensch = het gewenste ogenblik.
Tjats = minziek.
Toontjes = teentjes.
Traf traf spelen = draven.
Treken = streken.
Truesnues = bagatel, kleinigheid.
Tommelt = tuimelt, valt..
Toogen = tonen.
Toogh(je) = teug(je), slok(je).
Toornich = woedend.
Toot setten (een) = ezelsoren opzetten (Kiliaan).
Touwen = slaan.
Treck = gauwigheid.
Treck = streek.
Treves = bestand.
Troeven = ’wippen’.
Tuyldery = ijdele praat.
Tuyt-meyt = prostituée.
Twyfelachtich = draaiend.

U

Uithalen = uithoren.
Uyt = buiten.
Uytdrooghen = afleren.
Uyten Haach = uit Den Haag (’s-Gravenhage).
Uytghestrecken = toegetakeld.
Uythof = buitentuin.
Uytsetten = t.w. als een net.
Uytstrijcken = te pakken nemen, plukken.
Uytten Orienten = uitstekend.

V

Vaan = kroes.
Vaack = vermoeidheid.
Vaen = grote drinkbeker.
Van begrip = er achter.
Vastellaevens = Vastelavent = vastenavond, carnaval.
Veeght dat kynt zyn naers = drink ’t helemaal leeg.
Veers = verre.
Veltweyffel = ironisch Feldwebel (sergeant-majoor).
Vennitje = ventje.
Verassureert = verzekerd.
Verbaast = ontdaan, verschrikt, bang.
Verbourdeelt = uitgegeven in een bordeel.
Verciert = gecoiffeerd, gekapt.
Vercken = varken, zwijn.
Verdrach van sinnen = overeenbrengen van gezindheden.
Verdragh = afspraak.
Verdooven = tot zwijgen brengen (bij zichzelf).
Vereeringh = geschenk, cadeau.
Verflenschen = verleuren, verbleken.
Vegher = iemand die van aanpakken weet.
Verguysen = bespotten.
Verhasardeert = vergokt.
Verkonckelt in zyn blaas, en knoffelt met zyn handen = verstijfd ofschoon hij in zijn handen blaast.
Verkoren = vrijwillig.
Verliep = wegliep.
Vluegelen = binden.
Vermaan = aansporing.
Vermaent = verhaald.
Vermetel = aanmatigend.
Verminderen = afhakken.
Vernaamt = bekend.
Verneem-kleetje = iemand die ieder uithoort.
Vernemen = informeren.
Vernoecht = vul aan: met de schoonheden, die enz.
Vernuwen = ophalen.
Verrosesoolesen = uitgeven aan de likeur rosolis.
Versachten = lichter worden.
Verscheyen = overlijden.
Verschoot my = deed mij opschrikken.
Versien = versterken.
Versieren = verzinnen.
Versieringh = verzinsel.
Verslempen = verbrassen.
Verslinghert = verliefd.
Versloert = verslonsd.
Versluymt = verslempt, verdronken.
Versocht = beproefd, ervaren.
Versollen = heen en weer schuiven.
Vertasten = vergrijpen.
Vertrecken = vertellen.
Vertrock = vertelde.
Vertrocken = verteld.
Vertuyswuyst = verdobbeld, vergokt.
Vervolch = najagen.
Verwachten = wachten op.
Verwis = voor zeker.
Verwonnen van = overmand door.
Veyl = onkuis.
Vier = vuur.
Vil = geviel.
Vlack = vloeiend.
Vlagh voeren, de = het hoogste woord hebben.
Vlieghen vanghen = klappen krijgen.
Vlus(jes) = onlangs, kort geleden.
Vlijt hem neder tzeet = gaat zitten.
Vloot = vluchtte.
Voolewijck hier werden misdadigers aan de galg gehangen. Ze bleven daar goed zichtbaar hangen. De plek lag tegenover het Centraal Station in Amsterdam,waar nu de Buiksloterwegveer in Amstedam-Noord aanlegd.
Voeghlijck = betamelijk, passend.
Voldoende = voorkomend.
Voor Noos = voorneus?
Voor duer = buiten de deur.
Voordachtich = opzettelijk.
Voorsichtich = vooruitziend.
Voorstel = voorstelling.
Voort edaen = uitgestald.
Vorderen = vooruitbrengen.
Vriendtschap = familie.
Vroeder = wijzer.
Vromen = deugdzamen.
Vromen = dapper.
Vromichheyt = dapperheid.
Vroo: lees vroeg.
Vroom = deugdelijk.
Vroom = overmoedig.
Vruntschap = vriendendienst.

W

Waaren = verschijningen.
Waarnemen = zorgdragen voor.
Waerschap = gastmaal, gezelschap, samenkomst.
Waater = hier Damrak.
Walbarcken = van hard hout.
Wat haast het = ik ben er niet om verlegen.
Wat helptet vul aan: gezwegen.
Wat op de taerlingh liep = wat er kwam kijken.
Wat sal u ghebreken = wat mankeert je?
Water-galletje = braaksel.
Wayfler = draaier, twijfelaar.
Weenen = tranen storten, hevig huilen.
Weers = weerstand (ironisch).
Weersoordich = onhandelbaar.
Weesen = figuur.
Weeuw = weduwe.
Welden = zakte weg (als een wiel in de modder).
Weldt = beroert.
Welle moedt (wel emoedt) = in haar humeur.
Wellusticheyt = vreugde.
Were-vleys = ramsvlees.
Werrick sal ons schayen (het) = de feiten zullen uitspraak doen.
Wesen houwen = zich goed houden.
Wespen = boeven.
Wet = overheid.
Weyfelen = ongestadig zijn, wispelturigheid.
Wichtich = gewichtig, belangrijk.
Wieckeback = halfgebakken.
Wil = plezier.
Wilt-weyich = met groote vrijheid, jachtig, opgewonden.
Winckeltjes = hoekjes.
Winders = eendensoort.
Wint-breecker = snoever, opschepper, druktemaker.
Wint-breeken = snoeven, opscheppen, drukte maken.
Wissel-brief = cheque.
Wittebroots kinderen = doordraaiers, verkwitsers.
Witten = blanke guldens.
Woorden van bescheyt = passende woorden.
Woort houwen = woord doen.
Wronghel = hangop, dikke melk.
Wt = uit.
Wt valsheyt weer vervloeckt = meer uit vervloekte valsheid.
Wten = buiten.
Wtghenomen = buitengewoon.
Wtlander = buitenlander.
Wtrecht = Utrecht.

Y

Yeuwerts = ergens.
Ymmers = althans.
Yver = hartstocht.

Z

Zeeltich = als het vlees van een zeelt (vis).
Zy naam loopt verby me monckt = zijn naam ligt op mijn tong.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 7 november 1997.