Lambrecht van den Broek (1805-1863)

Morgenlied

Ontwaak intwaak! de kimmen blozen
   De zond verguld der bergentop;
Zij zijn bestrooit met frissche rozen,
   De zilvren daauw trekt glinsterend op.
De lammíren hupplen door de dalen,
   Het vischje darteld in den vliet;
De vogel groet de gouden stralen,
   En zingt verheugd zijn rollend lied.

Zij, die nog ít koesterend dons verkiezen,
   Door de armen van den lsaap omkneld,
Zij weten niet wat zij verliezen,
   De schoonheid woont op het vrije veld.
Kies blij genot voor mijmrend slapen,
   Ontwijk de sponde en zing uw lied,
De wereld is zoo schoon geschapen,
   Gij kent de ware schoonheid niet.

De landman kuscht zijn kroost engade,
   En schijnt bezield door neiuwe kracht;
Hij zingt en grijpt met lust de spade,
   En ijlt naar dí akker die hem wacht.
Zoo verlaat de vogel ít broedsel,
   Dat naakt en hulploos hem verbeid,
En fladdert vrolijk uit om voedsel,
   Dat op de velden ligt verspreid.

o Laat natuur niet vruchtloos wenken,
    Wanneer zij teugen, mild en zoet,
Uit de onuitputbre bron wil schenken,
   Zij is zoo teeder en zoo goed.
Wel moet de rust ons werk verpoozen,
   Daar zij op nieuw verkwikking biedt;
Maar doet de zon de kimmen blozen,
   Dan klinke ons blij en dankbaar lied.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 8 september 1996


Coster-pagina