Zij, die nog ’t koesterend dons verkiezen,
Door de armen van den lsaap omkneld,
Zij weten niet wat zij verliezen,
De schoonheid woont op het vrije veld.
Kies blij genot voor mijmrend slapen,
Ontwijk de sponde en zing uw lied,
De wereld is zoo schoon geschapen,
Gij kent de ware schoonheid niet.
De landman kuscht zijn kroost engade,
En schijnt bezield door neiuwe kracht;
Hij zingt en grijpt met lust de spade,
En ijlt naar d’ akker die hem wacht.
Zoo verlaat de vogel ’t broedsel,
Dat naakt en hulploos hem verbeid,
En fladdert vrolijk uit om voedsel,
Dat op de velden ligt verspreid.
o Laat natuur niet vruchtloos wenken,
Wanneer zij teugen, mild en zoet,
Uit de onuitputbre bron wil schenken,
Zij is zoo teeder en zoo goed.
Wel moet de rust ons werk verpoozen,
Daar zij op nieuw verkwikking biedt;
Maar doet de zon de kimmen blozen,
Dan klinke ons blij en dankbaar lied.
Laatste wijziging: 8 september 1996