Joan van Broekhuizen (1647-1707)

Gedachten

O mijn verheerde zinnen,
   Hoe streng zyt gy geboeyt,
Nu ’t vuur van uwe minne
   Met scherper vlammen gloeyt,
Dat u verteert van binnen,
   En daaglyks annegroeit!

Wat zult gy gaan maken
   De leide lange tyd,
Die onder vreemde daken
   Gy rustloos verslyt?
Vergeefs is al uw waken:
   Uw leidstar zij gy quyt.

Uw leidstar, die met lonken
   u verfraayen plagt,
Die ’t hartje maakte dronken
   Met lieffelijke kragt,
En dropte glôende vonken
   Door d’oogen in ’t gedagt.

Niet meer en kunt gij hooren
   De malse mondelyn;
Niet meer, als wel te vooren
   Vergeten daar uw pyn;
Niet drinken meer door d’ooren
   Dat minnelyk venyn.

In droefheit en in tooren
   Uw ziel haar grafstee delf.
Wat kan haar dog bekooren
   Van ’s werelds wijd gewelf?
Gy hebt u zelf verlooren,
   Verlooren zy haar zelf.

Nu wntelt in ’t herdenken
   Van uw voorlede zoet,
En zoekt uw leed te drenken
   In wellust van ’t gemoed.
Fortuyn kan dog niet krenken
   Het eens genoote goed.

Ligt of gy mogt verzetten
   Uw duldelooze smart
En ’s nootlots strenge wetten,
   Waar gy zijt verwart,
En helderen de smetten
   Van roest in ’t quynend hart.
E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 07-sep-96


Coster-pagina