Joan van Broekhuizen (1647-1707)
Morgenzang
De Morgenstondt, gehult met stralen
Noch schooner dan hy voortijts plagh,
Bezaait het voorhooft vanden dagh
Met goud, met paerlen, en koraalen.
De Maan verflaut schier dan men ’t ziet,
De Nacht allenskens aen ’t verdwijnen
Rolt op haer duystere gordijnen;
De starren deizen in ’t verschiet.
Quijt is de Hemel duizent oogen,
En waght de schooner kost van een.
Het bytje draaght zyn buit vast heen,
Dien ’t heeft uyt roos en tijm gezoogen.
De forsse Leeuw der dieren Vorst
Ontwaekt het bosch met moedigh brullen.
Ai zie zyn maan en staart eens krullen,
En ’t zwellen van die breede borst.
Hou op, o wydgeduchte Kooningh,
Endymion, op uw geluit,
Loopt, wat hy magh, ten bossen uit;
En schrickt nu voor sijn oude wooningh,
Hy vind sijn Meesteres in ’t veld;
Die onder breede beuketoppen,
Haar buyt en de belbloede koppen
Der borstelige zwynen telt.
Hoe vrolijk komt dat meisje zingen,
Dat voor haar schaapjes, dick van vacht,
Zoo vriendelijk als de Morgen lacht,
Als hy komt uyt de kimmen dringen.
Het lammeke zoo jongh als ’t kruit,
Zoo wit als melk, zoo zacht als roozen,
Schynt met zyn harderin te koozen,
En huppelt voor en achter uit.
’T pluimdraagend gild met open gorgels
Bedankt der Zon, die nu gehult
Hun veeren en hun hof vergult
Op wilde maat van duizent orgels.
Wat kunst van zangerige veel
Kan deezen wildzangh eevenaaren?
Wat hand met afgerichte snaaren?
Haalt by dei ongeleerde keel?
Zyn ossen Melker drijft van binnen,
En spantse voor den gladden ploegh.
Mooy Haasje, schoon ’t haar dunkt te vroegh,
Begint een deuntjen onder ’t spinnen.
’t Verwart geluit, en ’t licht, verkracht
De stilte en krepelgaande Droomen.
De zon begint alree te koomen,
En wekt den slaaperigen Nacht.
De hoveling, die uyt de lippen,
Van Clorisje sijn leeven zoogh,
Schrikt dat de nacht hem zoo bedroogh,
En Cloris met den droom gaet glippen.
De sterke smit met de armen bloot
Is nyverigh en drok aan ’t werken.
Hy hoort het gloeyent yser snerken
En ’t borlend water in de goot.
Op Roosje: laat ons ’t bedde ruimen,
de vlam van onze kaars is dood,
Beschaamt voor ’t purper morgenrood,
De zon beschijnt ons op de pluimen.
Op, op mijn hartje: laat ons gaan,
En zien of onze hof kan roemen
Op zoo veel rooze- en lelybloemen
Als op uw blyde koontjes staan.
E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl
Laatste wijziging: 07-sep-96