Cyriel Buysse

De Biezenstekker

De Nieuwe Gids, 5, 2, 186-212, 1890

Ingezonden door Ton van der Wouden (vdwouden@let.rug.nl)


Als Cloet dien zaterdag namiddag om vier ure juist, de zware hekkens van het Gentsch gevang zag opengaan en eensklaps, na een tiental schreden, weêr in vrijheid was; trok hij haastig, door het daglicht verblind en reeds aan eenzaamheid en duisternis gewend, de breede kassei dwars over en verdiepte zich in de kronkelende hovingen, die daar, aan de overzijde van het stadsgevang, de gansche lengte der eenzame, regelrechte laan begrenzen. Het was een groote, kloeke kerel van rond de vijf en veertig, met grijzende knevel en haren, met forsig afgeteekende wezenstrekken, met stijven, onheilspellenden oogopslag. Vier maanden was hij daar opgesloten geweest. Eene messteek, in een gevecht aan eenen makker toegebracht, had de vervolging der Wet op hem getrokken. Een oogenblik had hij gehoopt op vrijspraak, maar een gebuur - Rosse Tjeef had bezwarend tegen hem getuigd - en hij was eindelijk veroordeeld geworden. Dat was nu ook de vierde maal dat hij in het gevang had gezeten, telkens voor vechten.

Somber, zonder den minsten zweem van vreugd op het gelaat, stapte hij steeds rasser en met hooge schouders, in de mistige winterlucht vooruit. Hij droeg een klein, in een rood zakdoek omwonden pakje aan de linkerhand; in de rechter hield hij zijnen gaanstok. Hij had eene donkerkleurige broek aan; grove schoenen met nagels; een blauwen kiel; een zwarte pet.

Aan het uiteinde der hovingen gekomen draaide hij links om en sloeg, doorheen de woelende en reeds verlichte voorstad, den eenzamen steenweg naar Wilde in.

Gedurende een groot half uur ging hij aldus met wijden tred vooruit. De avond was van lieverlede gansch gevallen en langsheen de pijlrechte, met boomen omzoomde baan die hij thansch door het veld volgde, blonken hier en daar, op groote afstanden, eenzame lichten. Vóór een dezer hield hij stil. Daar stond, terzijde van den weg, een klein, landelijk herbergje. Zonder aarzelen, als van zelf, trok hij er binnen.

`Een druppel', bestelde hij kortaf, zijn vijfcentstuk klinkend op den toog werpend. En, terwijl een jong meisje, spoedig rechtgestaan, hem bediende, keek hij schuins, met zijn vorschenden blik, naar 't vergaderd gezelschap: drie mannen en een vrouw, die op stoelen rond een tafeltje gezeten, met de kaart speelden.

Hij ledigde zijn glas in eene teug, mompelde iets binnensmonds als groet, opende de voordeur en vertrok. En eerst toen hij een tiental schreden ver was dacht hij aan den datum der maand en dat die lieden, al-licht in familie, Driekoningenavond vierden. Deze gedachte, die hem schielijk zijn eigen gezin voor oogen tooverde, ontrukte hem een doffen vloek en deed op nieuw, terwijl hij nog den stap verdapperde, eene vruchteloos verjaagde foltering in hem opwellen.

Gedurende de drie jongste maanden had zijne vrouw hem in 't gevang niet eenmaal meer bezocht. Waarom? Dát wist hij niet. Hij had doen schrijven en geen antwoord ontvangen. Hij had aan andere bezoekers van zijn dorp, welke hij kende, naar heur gevraagd en deze hadden hem ontwijkend en met een zonderlingen glimlach, scheen het hem, gezegd dat het er goed, heel goed meê ging. Wat school daarachter. Wat was zulks te beduiden! Lang had hij alle mogelijke oorzaken nauwkeurig onderzocht; hij kon tot geen besluit geraken. Maar eens was hem, als een schicht, een argwaan door het brein gevlogen. Zou ze misschien... in zijne afwezigheid... met een ander... O, hij dorst zijne veronderstelling niet voltooien, zóó vreeselijk voelde hij dan zijn hart van wraaklust kloppen, zóó helsch vlamden zijn oogen, zoo forsch krompen zijn handen, als klauwen ineen.

Wat er van was zou hij eindelijk weten. Vóór anderhalf uur was hij thuis, vóór anderhalf uur zou hij hooren en zien. En rasser nog, en rasser, als hadde hij de ruimte willen verslinden, stapte hij door.

Hij kwam in een klein dorpje: Keuze. Gejoel en zang weLrklonken in de huizen; een geur van versch gebakken pannekoeken walmde bij tusschenpoozen in de koude lucht en langs de donkere, bochtige straatjes gingen arme kinderen, van deur tot deur, met fijne stemmetjes hun liedje zingen:

`'t Is van avond Driekoningenavond
En 't is morgen Driekoningendag.'

Somber stapte Cloet steeds voort. Die vreugd vergramde hem, die fijne reuk van versch gebak, waarvan hij zijn deel niet zou hebben, folterde zijne maag van uitgehongerden gevangene; en, aan den ommekeer van 't dorpje, op 't oogenblik van de kassei te verlaten om den landweg door de velden in te slaan hield hij weêrom stil en trad nogmaals, als werktuigelijk, de deur der aldaar gevestigde herberg binnen.

`Een druppel...' Evenals in de eerste afspanning wierp hij zijn muntje klinkend op den toog en werd hij door de vrouw, die haar kaartspel had gestaakt, met ontzagvolle beleefdheid gediend. De drank, ditmaal, bracht hem een warmte aan het hart en, in stede van zijn ledig glas terug te zetten, keek hij strak naar de flesch en zei, na eene korte aarzeling, de hand vooruitgesteken:

`Schenk nog eens vol.'

Zij schonk, hij ledigde zijn glas, betaalde en vertrok.

Thans was hij volop in het vlakke veld. De aardeweg, zeer modderig en somber, met grachten en boomen omzoomd, liep kronkelend door de landouwen. Hier en daar een haag, een stijl, de balie van een hofgat. Somtijds, wat terzijde, de onbepaalde silhouette eener hoeve, met fijne, als het ware door de geslotene blinden barstende streepjes licht; nu en dan, op de weinig bevolkte gehuchten, wat gejoel van viering in de arme huisjes, wat reuk van vet en van gebak in de lucht en steeds de kleine kinderen, die voor de deurtjes, in de killige winteravondstilte zongen:

`'t Is van avond Driekoningenavond
En 't is morgen Driekoningendag.'

In het kappelletje ... Ditmaal aarzelde Cloet niet meer. Hij stapte rechtstreeks binnen en dronk twee druppels aan den toog.

`Fijne genever, hè?' pochte de waardin.

Hij gaf geen antwoord maar bekeek heur strak. Hij was slechts een klein half uur van Wilde meer en het woord lag hem op de lippen om iets over zijn huisgezin te vragen. Hij deed het niet. Hij wierp tien centen op de tafel en verdween.

Het sloeg juist zeven op den toren toen hij aan de eerste huizen van Wilde kwam. Hij nam een zijdewegel en langs het beekje heen, den omtrek van het gansche dorp makend, geraakte hij aan het straatje waar hij woonde. Met zwaren tred stapte hij de stronkelige, ietwat klimmende kassei op. Thans had hij geene kou meer; het vuur dat hem eerst 't hart verwarmde, brandde nu ook in zijn hoofd en gloeide op zijn wangen. Hij voelde zich krachtig, moedig, vastberaden; een soort van glimlach zweefde op zijn ruw gelaat. Een oogenblik kromp hij de vuist ineen en kwam er een beleediging op zijn lippen; hij trok het huis van Rosse Teef, den verklikker, den vijand voorbij. Maar die herinnering duurde niet lang; vóór 't derde deurgat eener reeks alle gelijke huisjes hield hij stil, hief ruw de klink op en was in zijne woning. In eenen oogwenk stond hij midden in den keuken, den blik gevestigd op zijn vrouw.

Zij zat, omring van alle vier haar kinderen, aan tafel, voor het avondmaal. Het licht der lamp viel haar vlak in het aangezicht en zij had juist, uit de groote aarden papteil, haren eersten lepel pap geschet, toen hij van achter 't schutsel kwam.

Zij verwachtte hem niet. Zij meende dat hij, zooals het zijne straf vermeldde, nog ruim eene maand moest wegblijven; en stom, als hadde zij in eens de spraak verloren, bleek, als ging ze sterven, staarde zij hem verwilderd aan, werktuigelijk den lepel in den kom terugleggend.

Eiwel?... waarom zijt ge sinds drie maanden niet meer gekomen! was hij op 't punt haar te vragen, maar schielijk, eenen stap naderend, zag hij haar met verschrikkelijke ogen aan.

`Sta eens recht' sprak hij haastig, met verkropte stem.

Een hevig rood had haar kaaksbeenderen gekleurd en, op dit onverwacht bevel, scheen zij heel en gansch 't hoofd te verliezen. Zij maakte een beweging op haar stoel maar stond niet op. De kleinen, gapend en verschrikt, staarden beweegloos hunne ouders aan.

`Eiwel!... Zijt ge doof?...' riep Cloet met nog vervaarlijker gelaat. En eensklaps, rond de tafel gaande, kwam hij zelf tot haar.

Als onder eenen zweepslag sprong zij recht. `O doe me toch geen leed' kreet ze, bevend de handen uitstrekkend. Cloet, versteend, was blijven staan, het oog, als zinneloos, op haren buik gevestigd. Die buik was zwaar en rond, vooruitgestoken.

`Wie heeft dat gedaan?' vroeg hij. Zijn stem klonk niet luid, niet onnatuurlijk en met de hand den buik aanwijzend, was hij opnieuw eenen stap vooruitgetreden.

Het scheen als wilde zij iets zeggen, doch de woorden verkropten haar in de keel. Zij zwolg met moeite haar speeksel in en bleef voortdurend, roerloos en met een onuitsprekelijken angst op het gelaat, haar man aanstaren.

`Ik... vraag... u... wie... zulks... gedaan... heeft' herhaalde hij luider, met een soort hardnekkigheid ieder woord afkappende en, als onbewust, steeds naderkomend.

Hijgend en onveranderlijk zag zij hem nog, gedurende den tijd eener seconde aan en wat er toen gebeurde ging met de vlugheid van het weêrlicht.

`O gij nondemilledzju!' schreeuwde hij eensklaps. En terzelfdertijd, terwijl zijn gaanstok en zijn pakje kletsend tegen den muur aanvlogen, kreeg ze zijne vuist vlak in haar aangezicht, stuikte zij huilend achterover en sprong hij vloekend en tierend, met handen en voeten op haar.

Met de linkerhand had hij haar bij de keel gevat, als om haar te verworgen; met de andere, geslotene vuist sloeg hij haar gestadig, uit al zijne macht in 't aangezicht en met de knieën, onder dewelke hij haar in den grond gedrukt hield, stampte en schokte hij haar den buik ineen, zooals de slachters doen met een gekeelde zwijn.

`Wie heeft dat gedaan, nondezju!' huilde en herhuilde hij woedend. En zonder haar zelfs den tijd te laten van te antwoorden, sloeg en sloeg hij voort, om dood.

Oogenblikkelijk was zij overvloedig beginnen bloeden en zonder de minste poging om zich te verdedigen, vermengde zij enkel, in de razende vermaledijdingen van Cloet en het verschrikt geschrei der weggevluchte kinderen een akelig en aanhoudend gehuil, een `oeijoeijoeijoeijoei' van schier onmenschelijke smart, 't onnoemelijk gekreet van het geslachte dier, dat met zijn bloed, zijn leven voelt heenvlieden.

Eensklaps vloog de deur open en Rosse Tjeef, de gebuur, gevolgd van drie of vier anderen, ijlden binnen.

`O helpt toch moeder! trekt er hem toch af!' snikte smeekend het oudste meisje.

`Cloet, Cloet!' riep, verwilderd, Rosse Tjeef. En, met een soort van weêrzin, doch door de anderen voortgeduwd, vatte hij den vechter bij den arm. Noodlottige beweging. Cloet keerde zich om, erkende zijnen vijand, sprong recht en zijn aard van wreeden vechter kwam eensklaps met ontembaar geweld te voorschijn: hij nam het broodmes van de tafel, zwaaide het glinsterend in de lucht, sprong toe en Rosse Tjeef stortte, met eenen straal dampend bloed uit den mond, op den vloer achterover.

Op dit oogenblik greep er eene worsteling aan de voordeur plaats. Het toegestroomde volk werd hevig verdrongen en twee gendarmen, in uniform, met het geweer op den schouder kwamen binengestormd. In eenen oogwenk hadden zij Cloet, schielijk stom en roerloos, ontwapend, geboeid en gevangen genomen.

`Allez! spoedig om priester en dokter en alle man uit den huize!' riep, op gebiedenden toon, de oudste der twee.

Joelend, in een getrappel van voeten, verdrong zich het volk. De kinderen schreiden steeds vervaarlijk en de moeder, naast den haard achterover gevallen herhaalde onophoudelijk haar akelig gehuil, haar `oeijoeijoeijoeijoei' van stervend dier. Twee mannen hadden Rosse Tjeef onder de schouders opgetild. Hij was niet dood.

`Vooruit, schelm!' sprak de brigadier. Cloet, tusschen de twee gendarmen, werd buiten gestampt. De brigadier hield het nog bloedend broodmes in de hand.

Met vasten, rassen tred en door een steeds aangroeiend gepeupel gevolgd, trokken zij naar het dorpsgevang. Dit bevond zich op den koer van het gemeentehuis. De zware ingangspoort stond reeds open. Met geweld werd zij achter de twee gendarmen met hunnen gevangene en enkele nieuwsgierigen weêr toegegrendeld. De uitgesloten menigte liet een gejoel van opstand en misnoegdheid hooren. Haastig, zonder een woord, openden de gendarmen de ijzeren deur en na de deur het hek met ijzeren staven. Zij deden den gevangene de boeien af.

`IJdelt uw zakken uit' beval de brigadier.

Cloet, gebogen en als het ware verkleind, haalde een luikermes, een tabakszak en negen enkele centen te voorschijn. De brigadier nam deze voorwerpen in zijn bezit en overtaste dan nog zelf de zakken van den moordenaar, die hij omkeerde. Toen wendde hij zich om. Het ijzeren hek werd weêr gesloten, de ijzeren deur gegrendeld en in het somber hok, achter de dikke, zwarte staven, bleef Cloet als een wild beest alleen. Buiten, achter de hooge, zware ingangspoort, weêrklonk opnieuw het woest, opstandelijk gejoel van 't toegestroomde volk.

Ditmaal, en hoewel Rosse Tjeef niet doodelijk gewond was, werd Cloet tot vijf jaren gevangenzitting veroordeeld; en toen hij, na dit tijdverloop, evenals de jongste maal, op een kouden winteravond in zijn huis terug kwam, vond hij, naast zijne vrouw en kinderen, een onbekend, vijfjarig knaapje aan de avondtafel zitten; het kind dat zij, vier maanden na zijne misdaad, op de wereld had gebracht.

Hij vroeg niet wie dat knaapje was en viel nu ook niet woedend als een dier op zijne vrouw. Hij gaf geen antwoord op de schuwe welkomgroeten van zijn huisgezin, hij zag zelfs niemand aan, maar na zijn pakje op het schouwboord en zijnen gaanstok in den hoek, achter het schutsel geplaatst te hebben, nam hij de papteil van de tafel, ging er meê vóór den haard zitten, plaatste ze daar op zijne knieën en begon, uitgehongerd, te eten. Hij was vergrijsd, verouderd. De vrouw en de kinderen, roerloos en bleek, keken tersluips, in de flauwe schemering van 't lampje, naar zijn breeden rug en zijne dikke schouders; en in het doodstil, met schrik bevangene keukentje, hoorde men enkel nog het regelmatig slokken zijner lippen en het geborrel der druppeltjes pap, die na elken schep, in de papteil terugvielen. Toen hij geëten had stond hij gebogen recht en trok, steeds sprakeloos, in 't nachtvertrek. Toen zijne vrouw, bevend, hem na een half uur daar vervoegde om, zooals eertijds, zijne rustplaats te deelen liet hij enkel dit ruw, met kalme vastberadenheid gëuite woord hooren:

`Hieruit, nondezju!'

En aldus, van stonden af, richtte hij op nieuw zijn leven in. Hij at, hij sliep, alleen. Nooit stuurde hij iemand van zijn huisgezin het woord toe en gansch den dag, te fier om te gaan schooien of te stelen, wrocht hij met de hardnekkigheid van een wroetdier op zijn land, waaraan hij alleen het bestaan wilde verschuldigd zijn.

Deze onverwachte en zonderlinge handelwijze had aldra op zijne vrouw een diepen indruk gemaakt. Slordig en somtijds aan den drank verslaafd, had zij reeds, in den graad van zedelijke daling, tot welken zij gekomen was, tevens de verzuiming harer plichten en zijn vreeselijke wraak vergeten; en, alhoewel ze zich stellig, bij zijne terugkomst, aan nieuwe mishandelingen verwachtte, toch dacht ze, dat men, door elkaar goed te verstaan, nog in vrede zou kunnen leven. Cloet's kalme, maar onoverwinbare hardnekkigheid had aldra deze hoop verijdeld, en zulke toestand, onheilspellender voor haar dan de losbarsting zijner woede, deed haar in eenen staat van bestendige onrust verkeeren. Beurtelings, maar te vergeefs, had zij alle mogelijke middels van verzoening aangewend. Noch het door de kinderen ergens geschooide vleesch bij het dagelijks zoo mager eten; noch de liters bier en genever des avonds; noch de steeds welgevulde tabakspot, niets had den ouden vechter uit zijnen staat van sombere teruggetrokkenheid kunnen doen komen. Vrouw Cloet begreep ten slotte dat alles vruchteloos zou blijven en toen, van lieverlede, keerde haar schrik, in haat veranderd, zich tot de aanhoudende oorzaak der oneenigheid, tot het schuldelooze kind der zonde, dat ze reeds niet lijden kon, tot het arme Julken om.

Zulks begon voor goed op eenen avond. Vrouw Cloet en hare kleinen nutt'en 't avondmaal rondom de tafel; Cloet, eenzaam en afgetrokken, zat, als naar gewoonte, in den hoek van den haard. Sinds eenige stonden bekeek vrouw Cloet haar jongste kind mer barsch gelaat. Hare kaaksbeenderen blonken, eene zonderlinge vlam schitterde in hare stijve oogen; zij was dronken. En eensklaps, losbarstend, sloeg zij hevig met de vuist op de tafel. `Wilt ge verdomme ophouden van zoo in de teil te zeeveren,' riep ze den kleine dreigend toe.

Verschrikt wipten de kinderen allen op en staakten zij het eten. Niemand had iets misdaan en de onthutste verwondering van 't jongste knaapje was zoo groot, dat het onschuldig naar de anderen keek om te zien wie er bekeven werd. Cloet, in zijnen hoek, had nauwelijks eens opgekeken en was herbeginnen te eten; doch die blik was aan zijne vrouw niet ontstnapt en, als in een weLrlicht, had zij er eene zwijgende goedkeuring in gelezen. Er heerschte een oogenblik van volkomene en bevangene stilte.

`Kom alhier, Sakerdzju,' riep zij eensklaps tot den kleine.

Julken, als versteend, bleef zitten. De anderen, gapend, keken. En in het nog verstilde keukentje hoorde men niets meer dan het luider geworden tiktak der horloge en het slokken van Cloet's lippen in den houten lepel.

`Wilt ge verdome komen!' herhaalde zij huilend en half rechtstaande.

Eene beweging op zijn stoeltje, 't gerucht van kleine klompjes op den vloer en 't kwam, het stond vóór haar.

`Neem, Goddome!'

En zonder reden, ditmaal, zonder zelfs geveinsde reden, sloeg zij hem hare hand vol in 't aangezichtje.

Het begon niet onmiddellijk te schreien; het viel, half achterover, zijdelings tegen de tafel en bekeek, verdedigingshalve de handjes uitstekend, met eene uitdrukking van onuitsprekelijken schrik, zijne moeder. Het scheen bijna niet te begrijpen wat er met hem gebeurde en eerst op een nieuw, dreigend gebaar zijner moeder vluchtte het vervaarlijk huilend weg en ging zich, bevend en snikkend, in den versten hoek van 't keukentje verschuilen. De andere kinderen, stom van angst, zagen steeds roerloos en met wijd open gespalkte oogen toe, terwijl Cloet, gebogen in den hoek, met nog vergroote onverschilligheid zijnen afzonderlijken papkom ledigde.

Tot dus toe had het arme kleintje, wel is waar aan geene moederlijke liefkozingen gewend, doch ook door niemand erg verstoten, schier gelukkig geleefd. Het was een bleek, blondharig knaapje, met lichtblauwe oogjes en schier onafgeteekende wenkbrauwen, volkomen verschillend van al Cloet's andere kinderen, die kersrood van wangen en gitzwart van haarbos waren. Langzaam, pijlijk was het opgegroeid. Om tweejarigen ouderdom wist men nog niet of het alleen zou kunnen loopen. 't Was wel, onder uiterlijk opzicht, 't verworpelingje der natuur, het kind der zonde, zooals men deze zich soms voorstelt; en de dorpelingen, steeds bereid om bijnamen te geven, hadden hem met een woord dat dóór, te Wilde, al de overige omvat, herdoopt: zij noemden hem de `biezenstekker', 't is te zeggen het arm, misvormd en onderbleven kind van onbekenden vader.

Bij de dieren, als er zoo een avorton voorkomt, wordt deze gewoonlijk, in stede van verdedigd, door de kloekere individus van 't ras mishandeld en verdrukt. Omtrent hetzelfde greep hier met het kleintje plaats. De moeder, meer en meer aan drank verslaafd en door de onverschillige, medeplichtige houding van Cloet aangemoedigd, werd alle dagen boozer en onmenschelijker; de oudere broLrs en zusters, natuurlijk wreed van aard, gelijk schier alle onbeschaafde kinderen, vonden in 't voorbeeld hunner ouders eene al te schoone gelegenheid om hun broertje onophoudelijk en ongestraft te tergen. Op korten tijd werd 't leven eene hel voor 't knaapje. Eerst mocht het met de anderen aan de tafel niet meer zitten. `De zwijnen eten na de menschen,' zei vrouw Cloet. En 't kreeg, alleen, de slechte, koude overschotten. Zijn kleeren hingen in flarden; zij werden niet vernieuwd. De broLrs en zusters gingen naar de school en kregen 's zondags centen, het niet; en op zekeren morgen duwde zijne moeder hem een korfje in de hand en zei:

`Gaat en verdient uwen kost, ik wil geene luiaards meer kweeken.' Het was toen vijf jaar oud. Het wist zelfs niet, het arme kleintje, hoe het doen moest om te schooien. Het dwaalde den ganschen dag rond in het veld, en 's avonds, uitgehongerd, kwam het met enkele, ergens uitgetrokken worteltjes en rapen thuis.

`Hoe! is dat alles wat men u gegeven heeft!' riep de ontaarde moeder woedend. En eenen wortel bij den groes vastnemend, sloeg zij hem dien vloekend in het aangezicht.

Het leerde schooien; het leerde langs de straten van het dorp, met zijn korfje aan den arm, van huis tot huis rondgaan. In den eerste kreeg het weinig. Het was te klein om aan de bellen te geraken, het klopte zachtjes, met de vuistjes, op de zware deuren.

`Wat wilt ge, ventje?'

... `Weet het niet ...' Het stond en draalde.

`Een boterham?'

`Ja.'

`Hoe heet ge?'

`Julken.'

`Julken wie?'

Het gaf geen antwoord.

`Julken Cloet?'

`Neen, neen.'

`Hoe dan?'

`Julken Biezenstekker.'

Men had hem alzoo zijnen naam leeren zeggen en toen het den dorpelingen 't laag vermaak gegeven had dien door hemzelven te hooren uitspreken, kreeg het zijnen boterham.

Cloet, nochtans, veranderde van houding noch gedragslijn niet, bleef steeds de ruwe, ongezellige bruut, de vijand en de schrik zijns huisgezins. Vruchteloos had zijne vrouw op nieuw beproefd hem te doen spreken. Halsstarrig in zijne dreigende pruiling verdiept gaf hij geen antwoord, scheen hij zich niets van zijn huisgezin aan te trekken, affecteerde daar enkel nog te zijn om te eten en te slapen. En werkelijk, men zag hem anders niet dan gebogen over zijne teil, in den hoek van den haard, met den rug naar de anderen. Die stelselmatige handelwijze exaspereerde zijne vrouw. Na hem tot een zeker punt overhaald te hebben, voelde zij zich eensklaps door eene onbekende hinderpaal gedwarsboomd en in hare ergernis vermengde zich van lieverlede een soort van drift, de aangroeiende dierlijke begeerte van dien man, dien zij bemind had en bedrogen, terug te bezitten. Toen verergerde nog 't lijden van het kleintje. Zij voelde, ondanks alles, dat deze vervolgingen aan Cloet behaagden, dat zij zich daardoor van hem vernaderde en gestadig, na elke mishandeling, zag zij den ruwen vechter in de oogen aan om op zijn aangezicht zijn goedkeuring en 't oogenblik van de verzoening te bespieden. Nuttelooze pogingen. Cloet, steeds onveranderlijk, bleef, als een veeleischend afgod zitten in den hoek van zijnen haard, scheen noch te hooren, noch te zien, maar woonde onverschillig alles bij, alsof hij naar iets wachtte.

In het midden zijner ellende, nochtans, had Julken eenen vriend gevonden, die hem hielp en hem beminde: Rosse Tjeef, de gebuur, de vijand van Cloet. Hij woonde - weduwenaar met drie kinderen - aan den ommedraai van 't straatje, in een klein huisje dat alleen stond en soms, op 't uur van de middag en van avondmalen, als het verdrukte knaapje daar voorbijgedrenteld kwam, riep hij het heimlijk binnen. Het was een groot, struisch man met geelros haar, met gele sproeten vol het aangezicht en groote, blauwe, glimlachende oogen. Vroeger, terwijl Cloet in het gevang zat en nauwelijks genezen van zijn messteek, kwam hij soms, des avonds, in het huis van zijne moeder. Sedert Cloet's terugkomst was hij achter gebleven.

Julken vond daar de zorgen en de liefde die hem thuis zoozeer ontbraken. Het kreeg er goed, warm eten en ook al eenige centen soms, des Zondags. De kinderen deden hem geen kwaad en Rosse Tjeef, die hem vaak streelend op de knieën nam, zei dat het hem mocht `vader heeten', gelijk de anderen. Dit alles gebeurde met groote omzichtigheid om de aandacht der Cloets, de vijanden, niet op te wekken.

Op zekeren avond zat Julken in den versten en sombersten hoek van 't keukentje naast Siesken op den vloer. Siesken, dat was het glad, zwart hondje, met zijn wakkere oogjes en zijn staartje in trompet, onlangs door Jan, Cloet's oudsten zoon, van een boerenhof medegebracht. Beiden, hond en knaap, kenden en beminden reeds elkaar en dien avond had Julken heimelijk een van Rosse Tjeef gekregen vijfcentstuk te voorschijn gehaald en vermaakte zich in volle stilte, in volle eenzaamheid, met het hondje er naar te doen happen en springen. Vrouw Cloet, met haar eten bezig, gaf voor het oogenblik geen aandacht op den kleine; Cloet en de andere kinderen waren nog niet thuis.

Maar eensklaps gaat de voordeur open en Cloet, met de spade op de schouder, stapt lomp binnen. Julken hield juist het vijfcentstuk omhoog en door de intrede van Cloet, die hem steeds een geheimen schrik inboezemde, verstrooid, verloor het, geduurende eene seconde, Siesken uit het oog. Noodlottige stond. Siesken, dievevlug, knapte het muntstuk vast, liet het klinkend op den vloer neLrvallen, sprong er op met zijne beide voorderpootjes. Cloet en zijne vrouw, alle twee, keken om.

`Wat is dat?' vroeg de laatste, hatend. En schielijk toesnellend, raapte zij het vijfcentstuk op. Van wien hebt ge dit gekregen?'

Julken wist dat het zulks zorgvuldig zwijgen moest. Rosse Tjeef herhaalde het hem elken dag en zonder bepaald te begrijpen waarom, voelde het er ook wel de noodwendigheid van. Het had zich zelven tot dus toe nog nooit verraden, maar op dat oogenblik, door die dreigende en hatende, op hem gevestigde blikken ontsteld, keek het onthutst en bevend op, werd gansch bleek, vergat zijn verbod en zei, vol bange naïefheid:

`Van vader...'

Vrouw Cloet, verbaasd en niet begrijpend, aanstaarde haren man. Cloet, beweegloos, met de spade op den schouder, keek naar Julken.

`Van wien, zegt ge?' hervroeg met ruwe stem de vrouw.

Julken, van langs om meer onthutst en te onbehendig om nog zijn eerste gezegde te verbeteren, opende wijd zijn blauwe oogjes en zei, enkel de woorden wijzigend:

`Van Rosse Tjeef...'

De moeder, als had zij eenen kaakslag in het aangezicht gekregen, wipte achteruit en Cloet, het gelaat veranderd, stapte toe.

`Van wien?' vroeg hij op zijne beurt, eensklaps zijn maandenlang stilzwijgen brekend.

`Van Rosse Tjeef,' hernam de kleine bevend.

Cloet, versteend, aanstaarde meer en meer den kleine, bekeek zijn haar, zijne oogen, één voor één, met klimmende ontsteltenis de trekken van zijn aangezichtje te ontleden. Een oogenblik drukkende stilte heerschte. De moeder, achteruitgedeinsd, hield bleek, met wijd opengespalkte oogen, de beide vuisten vóór den mond.

En schielijk keerde Cloet zich tot haar om.

`Wiens kind is dat?' vroeg hij.

Zij gaf geen antwoord, maar nog bleeker, met nog wijder uitgespalkte oogen, deinsde zij voortdurend achteruit.

`Wiens... kind... is... dat?' raasde hij dof, met dicht gesloten tanden ieder woord afkappend en met zijn rechterhand, die de spade niet vasthield, ruw haar vuisten van vóór haren mond wegtrekkend.

Zij roerde niet, zij sprak geen woord.

`Wiens kind is dat, nondezju!' huilde hij, eensklaps uitzinnig, haar bij de keel vastgrijpend en haar tegen den muur duwend.

`Rosse Tjeef's...'

Hij had haar 't woord om zoo te zeggen uit de keel geduwd, het was haar ontsnapt, werktuigelijk, instinctmatig, om niet te versmachten.

Hij liet haar los en zag haar aan, verbaasd, verstomd, moedwillig ongeloovig bij het aanhooren dier bekentenis die hij geprovoqueerd had en waarvan hij den slag verwachtte. En in eens, zonder een woord, vloog, evenals eertijds zijn gaanstok en zijn pakje, zijne spade op den vloer en sprong hij, gelijk een wild beest, op zijne vrouw.

Ditmaal zou het al-licht om dood zijn. Zij was, langs den muur weg, zijdelings achterovergevallen, dwars op eenen stoel, die krakend achteruitvloog. Thans sloeg hij niet, hij neep en duwde. Bij de keel, bij den boezem, in de lenden, aan den buik nam hij het vleesch met volle grepen vast en duwde, trok en stampte als om het haar van 't lijf te scheuren. En op nieuw wendde zij niet de minste poging tot verwering aan; op nieuw uitte zij enkel, in 't midden der vermaledijdingen van Cloet het afgrijselijk geschreeuw van Julken niets dan haar schier onmenschelijk gehuil, haar `oeijoeijoeijoeijoei' van stervend dier, waarin zij zich nu, door de vlijmende pijn ontrukt, soms scherpere, oorverscheurende kreten vermengden. Eensklaps sprong Cloet, aan het toppunt der woede gestegen, recht en vatte zijne spade in de hand. Hij ging zijn vrouw vermoorden. Reeds hield hij 't wapen in de beide handen opgeheven, reeds raakte 't koudblinkend staal hare keel toen een vervaarlijk vizioen: de herinnering zijner vijf jongste jaren folteringen in 't gevang hem vóór den geest verrees en met een bovennatuurlijke kracht zijnen arm weerhield. Vloekend gooide hij de spade verre weg; vloekend wrong hij zijne vrouw een laatste maal de keel toe en dan zich omkeerend, sprong hij naar de deur, trok die hevig open en verdween.

Acht dagen bleef hij weg, acht dagen gedurende dewelke niemand hem zag, noch van hem hoorde spreken. En toen hij na dit tijdverloop terugkwam, ging hij weêrom naar zijnen hoek, zette er zich, zonder een woord, gelijk een dier, te eten en 't zelfde leven als van vroeger herbegon. De weken, de maanden verliepen. Eene benauwende drukking, een gevoel van diepen haat en van oneenigheid hing over 't huisgezin. 's Nachts na het vreeselijk tooneel welk het had bijgewoond was Julken in stuipen gevallen en sedert dien, verzwakt en ziek, verliet het 't huis niet meer. Het was, om zoo te zeggen, doorschijnend van magerheid geworden, het at bijna niet meer en van tijd tot tijd kreeg het zijne kwaal terug. Het waren vreeselijke aanvallen, die hem in eens overweldigden en midden derwelke het soms schreiend rechtsprong en verwilderd, met bevende handjes, met draaiende oogjes, met vervaarlijk gewrongen gezichtje vóór zijne ouders of zijn broertje stond, hen smeekend hem toch zoozeer niet te mishandelen, hem toch niet zoo te dooden. Maar zijn hartscheurend smeeken werd zelfs niet aanhoord en toen de krisis over was viel het weêrom, dieper dan ooit, in zijnen staat van wanhopige verlatenheid.

Alsdan, in dat gefolterd hartje, groeide allengs eene uiterste drift, eene laatste genegenheid op, waarin zich al zijne tederheidsvermogens verzamelden: zijne liefde voor Siesken, het zwart, glad Siesken met zijn krolstaartje, dat nu de gewone en trouwe gezel van zijn ellendig leven geworden was. Het sprak, het vezelde er tegen; het was hem als een jonger broertje, dat onder zijn bescherming stond. Siesken had kou, het moest verwarmd worden; Siesken had honger, het zou te eten krijgen; Siesken had vaak, hij zou het slapen leggen. En sussend en kussend streelde en wiegde Julken het hondje, totdat het kontrast met met zijn eigen lot al te vlijmend wordend, het in stille tranen smolt.

Die toestand in het huisgezin kon echter zoo niet blijven duren. Aan alles, tot in de geringste dingen voelde men gestadig dat de spanning tot het toppunt was gestegen, dat er een verandering, een einde moest aan komen.

Sinds een paar dagen was vrouw Cloet gansch zonderling, gansch anders als naar gewoonte. Zij at ook schier niet meer. Een bestendige koorts, tevens door drank en gejaagdheid veroorzaakt, deed hare kaaksbeenderen gloeien en, zonderlingst van al, sinds twee dagen had zij Julken niet meer mishandeld, hem geen enkel hatend woord meer toegestuurd. Zelfs, dien avond had zij hem van rond zes ure eene goede, warme teil pap doen eten en hem daarna te slapen gelegd. De vader en de overige kinders waren nog niet thuis.

Vrouw Cloet, alleen in hare keuken, ging naar de eetkast, haalde er vlug eene verborgene flesch uit te voorschijn, ontkurkte die en dronk. Een wijl blijf zij beweegloos en als het ware duizelig in 't midden van de keuken staan en langzaam dan, zeer stil en langzaam trok ze naar de voordeur, waarvan ze den grendel toeschoof. Eenige stonden gewacht, nog eens even geluisterd, nog eens aan den hals der flesch gedronken, dezelfde terug weggezet en zacht, op haar kousen, stak zij de deur van 't nachtvertrekje open.

Dit was een zeer klein kamertje, nog lager gebalkt, nog somberder en akeliger van uitzicht dan het keukentje. Er was maar één klein venstertje, langs buiten toegeblind; drie bedden, laag en breed, maar kort, vervulden bijna heel het ruim en op de onderste trede van den korten, steilen trap, die naar den zolder klom, stond een klein, half ingedraaid nachtlampje, welks flauwe, van beneden komende klaarte, al die droevige dingen beschemerde.

Vrouw Cloet nam 't lichtje in de hand en hief het naar omhoog. Zich met de linkerhand aan den trap vasthoudend, boog zij het lichaam sterk voorover. De vale klaarte verlichtte tevens haar ontstelde wezenstrekken en, in het naaste bed, het uitgemergeld, ingesluimerd aangezichtje van Julken. Zij zette 't lampje hooger op den trap en kwam twee stappen nader. Thans stond zij in 't smal gangetje tusschen de twee eerste bedden. Op nieuw bleef zij eene wijl luisteren, roerloos, bleek, met blinkende kaaksbeenderen en vergroote oogen. Alles was stil, alles was eenzaam en schielijk, zich half omkeerend, keek zij naar den kleine.

Hij sliep steeds voort, het bleek, ontvleesde hoofdje zijdelings, met een gelijk en flauw, ternauwernood verneembaar zuchtje door zijn witte lipjes. De handjes lagen boven de deken en heel het lijfje was zóó mager, dat het nauwelijks, in 't midden van het breede bed, een kleine hoogte vormde.

Langzaam, met de handen achter de rug en 't oog halstarrig op den knaap gevestigd, had vrouw Cloet het deksel van het tweede bed tot zich getrokken. Zij hief het omhoog en spreidde het zachtjes, met eindelooze voorzorgen en als om den kleine warmer in te dekken, boven dit welk reeds zijn tenger lichaamtje bedekte uit. Zij hield den adem op, haar aangezicht was nog verbleekt, enkel de kaaksbeenderen en de oogen blonken met een ongewonen, schier vervaarlijken glans. Aan de handjes gekomen hief zij de sargiën wêer hooger, keek nogmaals om, kwam een laatsten stap nader en eensklaps, pijlsnel, viel de deken boven 't hoofdje en zij boven de deken.

Neen, zij had niet, met voorbedachten rade eene kindermoord beraamd; maar die onverjaagbare gedachte dat Julken ziek en flauw was, dat een tikje, een niets hem zonder pijn noch worsteling zou doen verdwijnen en dat ze dan toch rust zou hebben, had haar dagen en nachten gehanteerd en werktuigelijk, zonder wroeging noch gedachten, zonder bijna te weten wat zij deed was zij te werk gedaan, had zij eens `geprobeerd'. Maar op dat oogenblik, toen zij in al hare verwachtingen bedrogen, schielijk onder de dekking het half versmachte knaapje met ongewone kracht welke de strijd om 't leven geeft, voelde spartelen sprong zij verwilderd op en liet, met eenen kreet van afschuw, de sargiën los.

Verbaasd, alleen aan den adem wat bevangen en niet begrijpend wat er gebeurde, had Julken het deksel weggeworpen en staarde zijne moeder aan. En eerst na ettelijke stonden kreeg het als het ware eene onduidelijke gissing van 't gevaar dat hem bedreigd had. Zijn aangezichtje overtrok, het rechtte zich, kroop schreiend uit zijn bed en kwam, van langs om meer verschrikt op de hielen zijner moeder in de keuken. Siesken, ontwaakt, sprong onmiddellijk op hem toe en kroop in zijne armen.

Vrouw Cloet, nochtans, was machteloos op eenen stoel ineengezonken en aanstaarde nu hijgend, met vlammende oogen, den kleine. Eene klimmende en onberedeneerde woede woelde in heur hart; blijkbaar worstelde zij wanhopig tegen de zwakheid die haar overviel en eensklaps, door de behoefte van iets te verdelgen overweldigd, stond ze recht, sprong als eene tijgerin op Julken, rukte hem 't hondje uit de armen, sloeg dit vloekend met den kop op den muur, liet het vallen en overtrapte, overstampte het op den vloer onder haar voeten.

Zinneloos van smart en schrik, met eenen kreet waarvan niets de wanhoop wedergeven kan, was Julken toegesneld en had het zijn huilend lievelingetje in de armen terug opgevat. Zijn getier, zijne gebaren, de uitdrukking van zijn gelaatje waren zoo vervaarlijk, dat de ontaarde moeder zelve, als bang, achteruitweek.

`Ho, ho! mijn Siesken! Och Heere toch mijn arm Siesken! mijn Siesken! mijn Siesken!' kermde het. Tranen rolden overvloedig langs zijn wangen, gesnikte zuchten verdrongen zich en verkropten in zijne keel, als ware zijn mondje te klein geweest om ze alle te uiten. Het was midden den vloer op de knieNn gevallen met het steeds huilend, bloedend, stervend hondje in zijn armen. En het krinkelde zich, het lei zijn hoofdje op den vloer, het strekte de armpjes uit, het overkuste, overstreelde, overweende in eene uitbarsting van onbeschrijfelijke wanhoop zijn ellendig makkertje, gestadig, met schier onmenschelijke stem herhalend:

`Ho, ho, mijn Siesken! Och Heere toch mijn arm Siesken!'

Cloet, de andere kinders kwamen binnen. Een nieuw gehuil van smart steeg op toen deze laatsten 't hondje zagen en Cloet zelf, verontwaardigd, scheen op het punt op zijne vrouw te springen. Somber en hijgend, met brandende kaaksbeenderen en zwarte oogen was deze in den versten hoek der keuken achteruigedeinsd. Siesken een weinig gerust, werd in zijn mandje neLrgelegd. Een zijner pootjes was gebroken, het bloedde uit zijn muiltje en zijn buikje was schier onmiddellijk beginnen zwellen. Het huilde niet meer, het kermde nog in stilte, met uitgedoofde oogjes en lange rillingen over de huid, gelijk een mensch.

Het leefde nog drie dagen, gedurende dewelke Julken hem geen oogenblik verliet; en toen vrouw Cloet den vierden morgen ontwaakte vond zij, in het keukentje, nevens den haard, Siesken dood en Julken in bezwijming naast elkaar liggen.

Siesken werd in den mestput geworpen; Julken in zijn bed gedragen. En zonderling toeval, als men het kleintje ontkleed had, bemerkte men dat het met een dik gezwollen buikje lag, juist als hadde hem Siesken, bij het sterven zijne kwaal overgezet. Eenige dagen verliepen; Julken beterde niet. Een hevige koorts had hem aangetast en een groot deel van den tijd raasde en doolde het. De dokter, de kostelooze armendokter werd geroepen. Rust en voedsel, beval hij; veel voedsel: bouillon, wijn, eieren. Hij sprak alsof die dingen maar te nemen waren. Ook de pastoor kwam af. Het knaapje had een fleschje medicijnen gekregen en was een weinig verbeterd. De pastoor gaf hem een `zantje' en sprak hem van den hemel.

`Zal ik daar mijn Siesken zien!' vroeg eensklaps Julken. En toen de herder, met den zin van 's knaapjes vraag bekend gemaakt, hem zei dat de hemel niet voor honden, maar voor engeltjes geschapen was, keerde het zich, als moede, naar den muur om en deed zijn oogjes toe.

Op 's priesters bevel nochtans werd Zulmatje, Cloet's jongste meisje, gelast met Julken gezelschap te houden en zorg van hem te nemen. Het was een tamelijk braaf meisje, zachter van aard dan Cloet's andere kinderen en weldra waren het en Julken goede vrienden. Sinds 's knaapjes ziekte, overigens en vooral sinds de pastoor, die de echtgenooten tot verzoening wilde brengen, daar bijna dagelijks kwam, scheen er meer vrede, meer overeenkomst in het huisgezin te heerschen.

Julken, in het breede bed, lag met de oogjes open. Het meisje, aan zijn sponde, breide.

`Zulmatje, hou eens op van breien.'

Het meisje staakte.

`Wat heeft Mijnheer den Pastoor nu gezeid, Zulmatje?'

`Hij heeft gezeid dat hij wel hoopt dat gij genezen zult en als gij sterft dat gij zult in den hemel zijn.'

`Heeft hij van Siesken niet gesproken?'

`Neen.'

En eene stil heerschte. Het kind, strak naar de balken kijkend, scheen op iets te peinzen. En na een oogenblik:

`Zulmatje, doe eens 't deksel weg.'

Het meisje gehoorzaamde en staroogend dan, bekeek Julken zijn uitgemergeld lichaam. Aan de armpjes, aan de beentjes, was geen ziertje vleesch meer. Men kon de ribben tellen, de gewrichtsverbindingen geleken aan knokkels en builen en alleen de buik bleef rond en dik, van dag tot dag meer opgezwollen. Alsdan, tot zijne halstarrige gedachte terugkeerend, sprak Julken:

`Zulmatje, mijn buik is gezwollen gelijk die van Siesken, maar Siesken is gestorven omdat het bloedde. Als ik ook begin te bloeden zal ik sterven en toen zal ik Siesken in de hemel wederzien.'

Andermalen namen zijn gedachten eene verschillende wending.

`Zulmatje, 'k zou vader willen zien.'

`Ja, Julken, maar vader is niet thuis.' Zij bedoelde Cloet, sinds een paar weken in de aardewerken. Doch 't kleintje schudde 't hoofd:

`Uw vader is de mijne niet, Zulmatje. Mijn vader woont in deze straat en is wel thuis, maar hij mag hier niet komen.'

En dan zwegen zij alle twee, in hunnen schuldeloosheid overdenkend hoe het kwam dat zij eene gelijke moeder en verschillende vaders hadden.

De nacht was vroeg gevallen. Het had den ganschen nacht gesneeuwd en van vóór vijf ure waren in het dorp de straatlantaarnen aangestoken.

Vrouw Cloet was gansch alleene in hare keuken. De kinderen hadden vroeg geävondmaald en waren slapen; zelfs Julken, die den ganschen dag gewoeld had, was met den avond stil gevallen en sluimerde nu ook. Zij was nog zooeven daar gaan zien.

Vrouw Cloet, in hare keuken, maakte 't avondmaal van haren man klaar. Heden juist waren de aardewerken aan het sas van Lauwegem voltooid en kwam hij thuis. Haar maal zou lekker zijn: versch gekookte aardappelen met zwijnevleesch, zijn lievelingsgerecht. Het was de pastoor die haar aldus had aangeraden. Hij had met Cloet gesproken en deze, alhoewel weinig tot verzoening gestemd, had niet bepaald alle gedachte van toenadering van de hand gewezen. Hij was nu ongeveer drie maanden weg; die avond der terugkomst was een goed gekozen oogenblik.

Zij kwam tot bij den haard en hief, gebogen, de schijf van den zooienden ketel op. Met een kort, ijzeren vork stekte zij er twee, driemaal in om te zien of de aardappelen nog niet van pas gekookt waren. En wêer rechtstaande wendde zij luisterend het hoofd om, naar de ingangdeur. Een dof gejoel, met een getrappel van voeten in de sneeuw vermengd greep dáar voor den drempel plaats en eensklaps, terwijl ze naar de deur ging om deze te openen, weêrklonk een fijn, slepend gezang van kinderstemmen:

`'t Is van avond Driekoningenavond
En 't is morgen Driekoningendag.'

Verwonderd bleef zij stilstaan. 't Was inderdaad Driekoningenavond en terstond herinnerde zij zich een dergelijken avond, zes jaar geleden, als Cloet, pas uit het gevang gekomen, haar schier vermoord had. Thans zou het zoo niet gaan. Dat lied klonk nu wel meer als een zang van verzoening, van verlossing in haar oor. Zij luisterde het, tot 't einde toe glimlachend af en dan, hare deur opentrekkend, reikte zij aan een der zangertjes, een schoon, twaalfjarig meisje met diepe, zwarte oogen, eenen cent toe.

Zij kwam terug in hare keuken; maar, op het oogenblik nog eens het deksel van den ketel op te heffen kwam het haar voor als hoorde zij een flauw, een zonderling gerucht in 't nachtvertrekje. Had het gezongen liedje wellicht een der kinderen ontwaakt? 't Was beter niet, want zij hoefde met vader alleen te zijn. En stil, op hare kousen, stak zij 't deurtje open. Doch neen, alles was rustig, daar: Jan en Pol lagen te ronken; Marie en Zulma sliepen met haar aangezichtje naast elkaar en eenzaam in zijn breed en lage bed, lag Julken, die den ganschen dag gewoeld had, steeds kalm en onbeweegbaar. Vrouw Cloet draaide 't nauw brandende lampje nog wat dieper in, week achteruit en stak het deurtje toe. Zij was nauwelijk in de keuken terug of een nieuw gejoel greep aan de voordeur plaats en hetzelfde fijn, slepend gezang wêergalmde:

`'t Is van avond Driekoningenavond
En 't is morgen Driekoningendag.'

En nogmaals bleef zij, als begoocheld, luisteren en gaf na 't einde van het liedje, eenen cent.

Thans waren de aardappelen klaar. Zij nam den ketel van boven den haard weg en ging er, in het achterhuis, het sap afgieten. In het keukentje teruggekeerd hing zij hem nog een wijle boven 't vuur en hield er 't oog op gevestigd. En, terwijl ze daar stond wendde zij nog eens en met een soort van angst het hoofd naar 't slaapkamertje om. Had daar op nieuw geen zonderling gerucht wLerklonken? Waren de kinderen bepaald wakker? Zij nam voor goed den ketel van het vuur, plaatste dien op de heete asch en ging terug in 't kamertje. Zij nam het lampje in de hand, draaide het wiekje op en kwam vooruit, tusschen de bedden. Zij keek naar Jan en Pol; zij sliepen. Zij keek naar Zulma en Marie; zij sliepen ook. Dan wendde zij zich tot het kleintje om.

Vrouw Cloet, gebogen kijkend, kwam nader met haar lampje.

`Slaapt ge?' vroeg ze stil en als het ware onvrijwillig. En vlug, aan eene zonderlinge ingeving gehoorzamend, vatte zij een der handjes vast.

Verbaasd, verschrikt, wipte zij achteruit. En eensklaps, terugkomend, lei zij hare hand op 't voorhoofdje. Hare oogen gingen wijd open, eene doodsche bleekheid overdekte haar gelaat en eJn enkel, in hare keel verkroppend woord ontsnapte haar:

`Dood...'

Zij had den tijd niet aan hare gevoelens lucht te geven. Iemand had op de voordeur geklopt en toen ze die geöpend had, stond Cloet vóór haar.

`Hij is dood' herhaalde zij werktuigelijk terwijl haar man binnenstapte.

Cloet, onthutst, aanstaarde haar. `Wie dood?' vroeg hij eindelijk en als het ware met weêrzin.

Sprakeloos, haar oogen in de zijne, wees zij met de hand naar 't kamertje. Cloet, beweegloos, volgde met den blik de aangeduide richting. En na een oogenblik somber nadenken, gedurende hetwelk 't besef van de gebeurtenis in zijnen geest van brute nederdaalde, zette hij zijn spade in den hoek van 't schutsel en keek schuin, met begeerige oogen, naar de dampende aardappels.

Zijn vrouw, verbaasd bij zulke diepe onverschilligheid, staarde hem wachtend aan. Maar ziende dat hij naar den haard ging om zich zelf van eten te bedienen, haastte zij zich voren en dischte hem zijn maal op.

Er heerschte eene lange stilte. Cloet had zich aan de tafel neêrgezet en was beginnen eten. Het oog in zijn bord gevestigd, at hij onverpoosd, met vollen mond, gelijk een uitgehonger dier. Hij scheen de tegenwoordigheid zijner vrouw zelfs niet op te merken, hij ademde krachtig en dapper door de neusgaten en telkenmale hij iets noodig had: wat roggebrood, een mes, een lepel saus, keek hij herhaaldelijk en schuins naar de verlangde voorwerpen, vooraleer die te nemen. Zijn vrouw, beweegloos, stond aan de overzijde van de tafel recht.

`Gij, de eerste, zult hem 't woord toesturen en u niet laten ontmoedigen indien hij uwe poging tot verzoening niet dadelijk bëantwoordt', had de pastoor haar bevolen. En angstig, tevens met de gedachte van het doode kind en de begeerte tot verzoening bezig, wachtte zij naar een gunstig oogenblik om het gesprek heraan te knopen. Doch dit oogenblik kwam niet en door hare gevoelens overweldigd kon zij niet langer het stilzwijgen uitstaan.

`Hij zal moeten afgelegd worden, niet waar?' vroeg ze schuchter, met de hand naar 't slaapvertrek wijzend.

Hij mompelde iets dat zij niet kon verstaan en maakte, zonder het eten te staken eene beweging met de schouders, alsof het hem niet aanging.

Onthutst, verschrikt, zonder hare vraag te durven herhalen, staarde zij hem aan. En na een oogenblik, in hare vrees van hem mishaagd te hebben aan het gesprek eene andere wending gevend:

`Mijnheer de pastoor is hier gisteren geweest', sprak zij, `en heeft gezeid dat hij u kan bezigen in zijnen tuin, nu, met het einde der maand, indien gij elders niet verhuurd zijt.'

Op nieuw knikte hij met het hoofd en stamelde iets binnensmonds, steeds etend en den blik in zijne teil gevestigd houdend. En in de drukkende stilte welke weêrom heerschte, hoorde men voor de derde maal een dof gemurmel aan de voordeur, zoodra gevolgd van 't slepend, steeds herhaalde liedje:

`'t Is van avond Driekoningenavond
En 't is morgen Driekoningendag.'

Noch hij, noch zij keken niet op, spraken geen woord. Alleenlijk, Cloet, steeds etend, loerde sinds eenige stonden rechts en links over de tafel, alsof hij naar iets zocht; en schielijk zelf de stilte brekend vroeg hij, doch zonder 't oog op haar te slaan:

`Hebt ge geen bier?'

Zij had er. Een volle kruik stond in de eetkast, die zij, in hare ontzetting, vergeten had op te disschen. Zij haalde die te voorschijn en schonk er hem een volle pint uit. Verkropt door zijn droog eten, ledigde hij die in eenen adem. Hij had gedaan met eten, hij stond recht.

`Gaat ge slapen?' vroeg zij dof.

Hij knikte met het hoofd en stak de deur van 't nachtvertrekje open. Zij draaide 't lampje in de keuken uit en volgde hem.

`Zeg, moeten wij hem toch niet afleggen?'

`'t Is mij om het even' antwoordde hij ruw. Stom volgde zij hem voortdurend op.

Sinds hij van zijne vrouw gescheiden leefde sliep hij op den zolder; en zonder eenen blik voor 't doode kind dat daar onder lag, had hij het lampje in de hand genomen en was reeds langs den steilen trap. Werktuigelijk, zonder nog een woord te durven spreken, maar het oog door heen de sporten op het lijk gevestigd, volgde zij hem altijd op.

Het bed stond daar omhoog, onder de pannen; en vooraleer hij den tijd had haar te vragen wat zij er kwam doen en, mogelijk, haar heen te zenden, zette zij zich vastberaden op de sponde neêr en zei, hem strak aanschouwend:

`Mijnheer de pastoor heeft het mij aldus bevolen.'

Hij zei geen woord maar zag haar aan en eene zonderlinge vlam schoot uit zijn grijze oogen. Krachtig ademend deed hij zijne kleêren uit en toen hij in zijn hemd stond boog hij neêr en nam den nachtpot van onder 't bed. Groot en struisch, tevens gebogen en vierkant van schouders en 't hemd, boven de breede rugbladeren, door twee ronde, zwartachtige zweetvlekken bezoedeld, keerde hij haar den rug toe. Haar japon viel neêr; zij kroop onder de grauwe sargiën; en toen hij, na eenige stonden beweegloosheid nederboog en den nachtpot terug onder het bed schoof, blies zij het lampje uit. Alles werd pikdonker. Cloet, al tastend, kroop in 't bed en voor de eerste maal sedert zes jaren sliep hij met zijne vrouw.