Over psalm 23

Dirk Rafaëlsz. Camphuijsen

Als een herder zijne schapen in een groen landouwe weydt,
En, om haer den dorst te laven, na de versche beken leydt,
Zoo is oock de Heer myn hoeder,
En om dat de Heer my hoedt,
Zal voor 't lijf noch spijs ontbreken noch verquicking voor 't gemoedt.
Doe ik, als een doolend schaepken, afgegaen van 't rechte padt,
Ongewisse gangen dede en verkeerde wegen tradt:
Bracht hy als een trouwe herder, bracht hy mijne voeten we'er
Op des levens rechte straten, om zijns naems hoogh-waerde eer.

Of ik schoon (gelijck een kudde die in doodts perijckel staet,
En somwijlen langs der heyde tot een prooy der wolven gaet)
Wand'len moest op zulcke wegen daermen eyndt noch uytkomst ziet,
En geen mensch in 't nare doncker zich tot leydtsman aen en biedt:
Iae in zulcke nooden raeckt daer de doodt voor oogen stondt,
En de ziel by geene menschen hop' van troost noch hulpe vondt:
Noch en zoud' ick niet versagen, nu ghy helpt, en by my zijt
Als een herder die zijn schapen trouw'lijck met zyn staf bevrijdt.

Ghy bereydt my voor de oogen van mijn vyandt een bancket:
Daer zoo wordt my overvloedigh alle spijzen voorgezet:
Daer zoo druypt myn hooft van oly, en mijn beker vloeyt van wijn:
Dit vervult mijn geest met vreuchde en mijns vyandts hert met pijn.
All' de dagen die ik leve (en daer op vertrouw ick my)
Blijft my Godes rijke gunste en zijn milde goedtheydt by.
All' de dagen die ik leve (des ben ick in 't hert gewis)
Zal ick blijven in de wooning daar de Heer mijn Godt in is.

[Meer psalmvertalingen, -berijmingen en bewerkingen]