Uit bitterheydt der zielen. Over psalm 121

Dirk Rafaëlsz. Camphuijsen

Ick hoor trompetten klincken;
De vyandt is naby;
Ik zie harnassen blincken:
En niemandt is met my.
Het hert klopt door 't benouwen:
Dies laet ik, diep beschroomt,
't Gezicht 't geberght aenschouwen,
Of daer geen hulp van koomt:

Daer is geen hulp voorhanden;
Voorhanden, dan van Godt;
Van Godt, die 's werelts landen
Heeft onder zijn gebodt:
Van Godt, die 's hemels lichten
Heeft onder zijn gebiedt,
En die 't wel eer al stichte
Dat 's menschen ooge ziet.

Wie kan Gods volck betrappen,
Al sijnze onverdacht?
Wanneer de wachters slapen,
Houdt God om haer de wacht.
Hy is niet als de menschen,
Die, op de wacht gezet,
Als zij geen slaep en wenschen,
De slaep haer wacht belet.

Nooyt slaep beving zijn oogen,
Nooyt had hij slapens lust:
Dies wij vrymoedig mogen
Gaen nemen onze rust.
Zijn hulp die hy doet blijcken,
(Welck' alle leet verdooft)
Die maghmen vergelijcken
Een schadu boven 't hooft.

De Zonn' op hoogen dage,
Schoon zy al brandigh steeckt,
Kan door haer hit niet plagen
Als Hij haer krachten breeckt:
De Maen, in vochten nachte,
Schoon zij de le'en verkoudt,
Doet op ons le'en geen krachte
Als Hy z'in warmte houdt.

Geen Quaedt en kan u deeren:
't Zij of ghy buytens huys
U zelven moet geneeren,
Daar is geen vrees voor kruys;
't Zy of ghy binnen deuren
In uwen huyze bent,
Geen quaedt kan u gebeuren
Van nu tot aen uw endt.

[Meer psalmvertalingen, -berijmingen en bewerkingen]