SLECHTHEID STRAFT ZICH ZELVE.

Wanneer de felle bye, geneyght om haer te wreken,
Heeft met haer boose strael een teere maeght gesteken.
Schoon sy de vrijster quetst, sy gaet haer angel quijt,
Sy wort een dorren holm, en dat voor alle tijt.
Dit is de rechte loon van die een ander plagen,
Dat sy het meeste leet in haren boesem dragen;
Een booswicht, wien hy quelt, hy quelt sijn eygen geest;
Want schoon hem niemant jaeght, soo is hy doch bevreest.

Soo langh de snelle bye gingh om de bloemtjes sweven,
Soo leyt het geestigh dier een fris en vrolick leven;
Maer doen het metter strael de jonge maeghden stack,
Doen bleef het sonder kracht en uytermaten swack.
Wat heeft het menigh man, doch al te laet, verdroten,
Dat hy, eylaes! te vroegh sijn pijlen had verschoten!
Hoe menigh wort’er stram, door al te rap te zijn!
Siet, na te blijden jeught, soo komt gewisse pijn.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001