NIEMAND IS TEVREDEN MET ZIJN LOT.

Als het visje leyt gevangen
Daer het noyt te voren lagh,
Stracx soo krijght’et groot verlangen,
Om te wesen daer het plagh;
Maer een ander, afgedreven
Van de Maes of van den Rijn,
Komt ontrent de fuycke sweven,
En begeert’er in te zijn.
Wie heeft vreemder dingh gelesen ?
Noyt en is de mensch gerust,
Is’et niet een selsaem wesen ?
Niemant heeft’er vollen lust:

Schoon men komt tot hooge staten,
Schoon men heeft geduchte macht,
Schoon men krijght oock groote baten,
Noch is ’t, dat men meerder wacht.
Vrienden, laet u vergenoegen
Met dat u den Hemel geeft,
Wilt u na de reden voegen,
Dat is ’t beste datmen heeft.
Waerom wenschen, hopen, schromen?
Waerom altijt weder aen ?
Schoon ghy mocht’et al bekomen,
’t Kond’ u dan oock slimmer gaen.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001