GEVEN VERARMT NIET.

Schoon het bietje komt gevlogen
Over al het riekend’ kruyt,
En, na dat’et heeft gesogen,
Treckt er was en honigh uyt;
Des noch efter onverhindert,
Blijft de schoonheyt van de roos
In haer wesen onvermindert,
Mits sij noyt haer glans verloos.

Wie den vromen plagh te geven
Of een schamel mensche voet,
Schoon de lieden daer af leven,
Hy en mindert noyt sijn goet.
Siet, de saeck is soo gelegen:
Waer men iemant gunste biet,
Daer is stracx des Heeren segen;
Milde deylen arremt niet.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001