ZOO VORST, ZOO VOLK.

Siet doch eens: in desen poel
Was te voren geen gewoel,
Geen geruchte, geen geschil;
Alle dingen waren stil,
Al de vogels sonder nijt,
Al de vogels sonder strijt;
Maer een schreeuwer, metter vlucht,
Hier gevallen uyte lucht,
Maeckte, door sijn hees geschal,
Twist en oproer over al;
Maeckte dat het gansche rot
Quam gesprongen uyt het kot,
Quarn soo fel hier in gestort
Dat het water troebel wort.
     Het is nut te sijn gelooft
Dat een vies, een selsaem hooft,
Dat alleen een eenigh man
Gansche Ryken stooren kan.
Dan het is oock wel gesien
Heden en in ouden tyn,
Dat een, eenigh hooft gevelt
t Gansche lant in ruste stelt.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001