WICKT EERJE WAEGHT.

Wanneer de vos soeckt over al,
Waer dat hy roof bekomen sal,
Soo hy dan komt ontrent het ijs,
Soo is het vosje wel soo wijs,
Al voren door een snel gehoor,
Al voren met een wacker oor,
Te proeven uyt den water-slagh,
Hoe dick de schorse wesen magh;
En vint het dan het ijs te swack,
Soo hout ons Reyntje sijn gemack,
Soo blijft het daer het eerstmael was,
Om niet te vallen in de plas.

Ghy, die in nieuwen handel treet,
Daer ghij de gronden niet en weet,
Of onder vreemde lieden koomt,
Het is u nut te sijn beschroomt,
Het is u dienstig traegh te sijn,
En noit te bouwen op den schijn,
Ghy, neemt dan noit iet by der hant,
Of steeckt uw vinger in het lant,
En let eerst hoe de bakens staen,
Eer dat ghy verder pooght te gaen;
Want nieuw beslagh, en groote spoet
En dede noit sijn meester goet.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001