ZOUT HOUDT.

Als de slecke komt gekropen,
Hier en ginder, door het huys,
’t Is al met haer slijm bedropen,
Niet een kamer blijft’er kuys;
Maer de middel is te vinden
Om het vuyl, het leelick dingh,
Op te schorsen, in te binden,
Dat het niet te verr’ en gingh’:
Men behoeft maer zout te krijgen.
Dat men op sijn leden strooit,
Stracx soo sal het neder sijgen,
Als het ijs, wanneer het dooit.
Als de lust u komt bekoren
En u kruipt ontrent het breyn,
Geeft den moet doch niet verloren,
Maer bewaert uw leden reyn;
Uyt haer vuyl is wel te komen,
Laet maer ’t quaet niet verder gaen:
Zout, uyt Godes woort genomen,
Kan de sonde tegenstaen.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001