EEN RIJK VAN DWANG EN DUURT NIET LANG

Als de most, te nau bedwongen,
Leyt en worstelt, leyt en sucht,
Sonder adem, sonder lucht,
Siet, dan doet hy vreemde sprongen;
Siet, dan riekt de gansche vloer
Nae de dampen van de moer:
Alle banden, alle duygen,
Die het vry, het edel nat
Hielden in het enge vat,
Moeten wijcken, moeten buygen
Voor de krachten van den wijn,
Hoe geweldigh datse zijn.
Als een Koningh vryew lieden,
Op een ongewonen voet,
Uyt een trotsen overmoet,
Al te vinnigh wil gebieden;
Daer en is geen twijfel aen,
Of t en moet er qualick gaen.
Strenge Prinssen, harde Vorsten,
Die met al te naeuwe bant
Drucken op het gansche lant,
Doen het al in stucken borsten;
Want een rijck van enckel dwangh
Duert gemeenlijck niet te langh.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001