DAT SY VAN DE BANDEN DES DUYVELS ONTGAENDE, ONTWAKEN TOT SIJNEN WILLE.

De netten van de spin, die in de vensters hangen,
En konnen maer alleen de kleyne muggen vangen:
De wespe met de bie, en al wat hooger sweeft,
Maeckt dat het broose raegh op hen geen vat en heeft.
Wat kan een moedigh hert sijn goeden wegh beletten?
Al wat de werelt spint en zijn maer boose netten.
En acht, O weerde ziel! en acht geen losse waen,
De wint verstroyt het kaf, maer niet het wichtigh graen.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001