DIE BLUSCHT MIJN VLAM, DIEN WORD’ ICK GRAM.

Wanneer de smit het stael gaet in het water steken,
Om door het koele nat den brant te mogen breken,
Siet, wat een wonder ding! het maeckt een groot gerucht.
Het schijnt of dat’et kijft, of immers dat’et sucht.
Moet niet de minne-brant een selsaem plage wesen!
Hoe seer de minnaer klaeght, hy vreest te sijn genesen;
’t Is dwaasheyt hier een vrient te trecken uytte pijn,
De siecke schout behulp, en wil ellendigh sijn.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001