I CORINT. VII. 5.

DAT U DE SATAN NIET EN VERSOECKE, OM UWE ONMATIGHEYTS WILLE.

Wat gaet den bocxvoet oen het vier te willen raken,
En van de felle vlam een spel te willen maken?
Daer is in alle ding, daer is een vaste maet,
En ít is een wisse feyl al wat daer over gaet.
Oock reyne liefde selfs komt leelick uyt te vallen,
Als ie mant die misbruyckt in ongeregelt mallen:
Want ale een echte man is geyl in fijn bedrijf,
Hy valt in hoerery oock met sijn eygen wijf.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001