DE GLIMMENDE WIECKE EN SAL HY NIET UYTBLUSSCHEN.

De ziel heeft menighmael haer eerste licht verloren,
Sy leyt als sonder glans, en niet gelijck te voren,
ít Is maer een damp alleen, die als een teycken geeft
Dat noch in eenigh deel haer eerste wesen leeft;
Maer als wy ít helder licht van Godes woort genaken.
Soo wort de roock een vlam, de geest begint te waken:
Hoe groot is dijne gunst ontrent de menschen, Heer!
De wieck die maer en roockt en blust ghy nimmermeer.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001