IS íT DAT GHY LIEDEN DE KASTYDINGHE VERDRAEGHT, GOD SAL U ALS KINDEREN AENGAEN; MAER IS íT DAT GHY LIEDEN SONDER KASTYDINGHE ZIJT, SOO ZIJT GHY DAN BASTAERDEN EN NIET KINDEREN.

AIs ít yfer leyt en gloeyt te midden in de kolen,
Men siet, men hoort-et niet, het isíer in verholen;
Maer soo het iemant lescht, dan schijntíet dat het klaeght,
En dat het eenigh leet, oock in de vreughde, draeght.
Als God de sijnen straft, sy duycken en sy swijgen;
Maer voorspoet in het vlees die doet hun vreese krijgen:
Sy houden gantsch verdacht des werelts loosen schijn;
Ey laet, O God, mijn deel niet in de werelt zijn!


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001